Author Topic: Het Lied van de Onsterfelijke (1)  (Read 25407 times)

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #15 on: May 20, 2006, 12:12:00 PM »
Daar gaan we, met het begin van het boek. Dit heeft in een iets andere vorm al eens op het ter ziele gegane thefellowship.nl gestaan

----------

‘De galerijen tussen de tijdsgewrichten zijn lang
en eentonig in mijn paleis van de eeuwigheid.
De wanden zijn bekleed met de echo’s van
herinneringen. Portretten van geliefden wakkeren
de stille, altijd voortwoekerende pijn aan.
En als zich dan eindelijk, aan het eind
van die monotonie, jaren van belang, uren
van beslissing en momenten van dood en
verderf aandienen, dan is mijn geest onwillig.
Dan ben ik murw gebeukt door het zwijgen
van de goden, het voortkruipen van de dode tijd
en het woordeloze gekrijs van alle stervelingen
die op het slagveld van de eeuwigheid zijn gebleven.
Dan moet ik eerst naar dit boek grijpen en voor
de zoveelste keer in mij opnemen waaróm ik
dit doe. Niet dat ík dat vergeten zou zijn, maar
de tijd waar ik doorheen waad moet het weer weten.

De galerijen tussen de tijdsgewrichten zijn lang en
eentonig in mijn paleis van de eeuwigheid en er is
alleen het pad dat zich vóór me uitstrekt.’

DE KRONIEK VAN DE NIEUWE DAGERAAD



Proloog

De man stond wijdbeens op wat restte van de omloop van de sterkte van Klein Warlo. De wind voerde de stank van de dood met zich mee en speelde met het sluike, blonde haar en de donkergrijze mantel van de man. Onder de mantel werd een leren wambuis zichtbaar en een lang, smal zwaard dat aan een leren klemschede bungelde. Een enkelvoudig zwaard, wat onder zwaardvechters uitzonderlijk was, zoals ook het donkere blad zeldzaam was. De armen van de man waren hard van de spieren. Littekens ontsierden zijn gezicht. De eeltplekken op zijn handen verrieden vele gevechten.
Zo ver zijn oog reikte keek de man uit over het vlees en de botten van tienduizenden mannen en vrouwen. Tot in de wijde omtrek droegen de heuvels de roestbruine kleur van geronnen bloed. De man stuurde de blik van zijn heldere blauwe ogen langs de rokende puinhopen van de sterkte, de gescheurde vaandels van het moedige Sont Gerail, het grimmige Randrijk en het stoere volk van Stor. Hij zocht naar Ysiliaanse tekens, maar vond ze niet. Zijn aandacht werd getrokken door een grotesk scheefhangende pilaar, getooid met de granieten brokstukken van een standbeeld.
‘Ayl Aetha,’ prevelde de man. ‘Heb je dit voorzien? Heb je geweten dat ze je zouden vellen?’
Zijn ogen werden vochtig. De aanblik van verwoesting op deze schaal maakte een spervuur van gevoelens bij hem los.
Eerst was er de verbijstering geweest.
De belofte van eerste seigneur Karwings dat er geen troepenbewegingen zouden plaatsvinden tijdens het overleg tussen hem en de legervoerders van Stor, Sont Gerail, Randrijk en de Ysilianen was niets waard gebleken; de quisitoren hadden hen omsingeld. Ze waren met open ogen in de val gelopen.
Toen was het de angst die opflakkerde, de altijd op de loer liggende doodsangst. Hij had ze met opeengeklemde kaken uit zijn gedachten verwijderd. “Laat vrees toe in je aderen en je bloed zal vloeien”, was hem geleerd in Skarvon.
De woede, tenslotte, had hij nodig gehad om zich staande te houden in de storm van waanzin en door bloedgif opgewekte woede van de quisitoren. Hij had het overleefd, tot zijn eigen verwondering.
En dan nu het verdriet, diep, intens. Het sneed door hem heen als een regen vingerdolken. Verdriet om de mensen die hadden geleden, die uiteindelijk waren gestikt in hun eigen bloed of die zo gelukkig waren geweest aan de plotselinge dood van een bijlslag of een zwaardstoot ten prooi te vallen. Maar ook het verdriet om de mensen die hij had gekend, die hem na aan het hart hadden gelegen. Hij prevelde namen: ‘Weening, Asparu, Hanagir, Spander.’ Stuk voor stuk indrukwekkende, prachtige zwaardvechters. Laviniu, Targils dochter, een zwaardhand die voor maar weinig mannen zou zijn gezwicht, Targil zelf, vier quisitoren waren er voor nodig geweest om hem te vellen. Vairank, de kleine duivelskunstenaar met zijn vele dolken, was gestruikeld over het hoofdloze lichaam van een Randrijker, waarna een nachtbrenger hem door het hart had gestoken. Hij had dat zelf zien gebeuren. Het was allemaal te plotseling, te veel en te veelomvattend. Een week eerder had hij zich nog zorgen gemaakt om het weinige werk dat hem werd aangeboden. Zelfs hij, Lycius van Ostyn, het Beest van Skarvon, de hardste en taaiste van allemaal, met vele honderden doden op zijn geweten, was aangeraakt door het schrille koor van lijden, dood en verderf dat boven Klein Warlo had rondgezongen. Uiteindelijk stroomden de tranen over zijn wangen en werd de wereld een floers, een deken van mist die kleuren in elkaar over liet vloeien.
Snel veegde hij met de rug van zijn hand over zijn ogen. Onwillekeurig speurde hij in het rond.
‘Lycius, je bent een dwaas,’ gromde hij, ‘de doden zien je tranen echt niet.’  
Verder dwaalde zijn blik, langs de resten van versplinterde dolken, zwaarden en bijlen, ingedeukte kamphelmen en gekliefde schilden. Hij boog voorover en monsterde de fundamenten van Klein Warlo. Iets blikkerde in het licht van de ondergaande zon. Zijn oog viel op een enorm tweezwaard dat zo op het oog ongeschonden tussen het puin rustte. Hij zoog een ademteug naar binnen.
‘Arblim! Nee, het kan niet waar zijn. Niet hij.’
Hij draaide zich om en sprong van de omloop af. Snel laveerde hij tussen de overblijfselen van Klein Warlo door naar de plek waar het zwaard lag. Hij speurde in het rond, wipte met zijn rechterlaars wapens, schilden, lichamen en hoofden opzij, zodat hij kon zien of Arblim zich onder de slachtoffers bevond.
‘Wat zoek je?’
De stem klonk mild en zacht, maar Lycius tuimelde haast voorover. Hij herstelde zich snel en draaide zich katachtig om. Voor hem stond een rijzige, kale figuur in volle wapenrusting, die een draagzak van zijn schouder loshaakte en hem met een plof vlak naast het onthoofde lijk van een Randrijkse zwaardvechter liet vallen.
‘Arblim!’
Natuurlijk, dacht Lycius, niemand anders zou zich zo timide, bijna terughoudend hebben gemeld. Ze waren tegenhangers, hij en Arblim. Zijn eigen bravoure en het extraverte stonden haaks op de fijngevoeligheid en het welhaast verlegene van Arblim.
‘Lycius,’ zei Arblim. ‘Dacht je dat ik dood was? Je zou toch beter moeten weten.’
Lycius greep de reus bij zijn schouders vast en keek hem diep in de bruine ogen.
‘Ik dank de ware Maker dat je nog leeft, Arblim, maar de ramp is volkomen, mijn vriend. Dit was geen slagveld maar een slachting. Weening is geveld door het zwaard van de eerste nachtbrenger. Tangil van Dorst is dood, evenals Laviniu, zijn dochter. Ook Hanagir en Spander zijn niet teruggekeerd en van mijn groep huurlingen heb ik ook nog niemand gevonden. Met hen zijn honderden, duizenden prachtige jonge mensen uit Stor, Sont Gerail en Randrijk over de kling gejaagd door Karwing en de zijnen. In de val gelokt en met wrede precisie vermoord. En de Ysilianen? Ze zijn uitgemoord. Mijn verdriet past niet in deze wereld! Vind je het gek dat ik even dacht dat ook jij de dans niet ontsprongen was?’
Een begin van een glimlach vormde zich rond Arblims mondhoeken. Zijn ogen bleven echter dof.
‘Er is meer voor nodig dan de door gif opgewekte woede van de quisitoren en de halfslachtige magie van het Volkomen Woord om mij in gevaar te brengen, Lycius. De strijd is gestreden. We hebben veel verloren, maar niet alles. Ik kom mijn zwaard ophalen. Daarna vertrek ik samen met een groep saltaren naar Erlas Dey. Ga je mee?’
Lycius schudde zijn hoofd en liet Arblim los.
‘Nog niet. De quisitoren zijn samen met het Tathse leger in triomf op weg, terug naar Tathzee en Yron Balgust. Ik kan ongestoord op zoek naar overlevenden. Morgen komen Uvander en Epergain me helpen. Wie weet, vinden we nog een Ysiliër.’
‘Wie weet,’ echode Arblim.
Een tijdlang stonden ze daar, zwijgend, vervuld van het tumult van hun gedachten.
‘De vrouw?’ Arblim fluisterde. Voor het eerst las Lycius spanning op het gezicht van de zwaardvechter.
‘Ik heb gehoord dat ze haar achterna zijn gegaan tot aan Mynstade,’ antwoordde Lycius. ‘De quisitoren kwamen terug met het vuur van de triomf in hun ogen. Toen ze waren vertrokken heb ik overal gezocht, maar van haar heb ik geen spoor meer gevonden.’
Hij keek op. Er blonken opnieuw tranen in zijn ogen.
‘Waarom?’ vroeg hij hees.
Arblim bleef zwijgen.
‘Waarom haatten de quisitoren de Ysiliërs zo hartgrondig dat ze hen hebben uitgeroeid?’
Arblim stapte achteruit.
‘Haatten de quisitoren de Ysiliërs?’ Voor het eerst klonk hij heftig. Lycius zag hoe hij zijn vuisten balde tot de knokkels spierwit werden. ‘Of was het alleen Karwing? Hoe kreeg Karwing Tath zover dat ze aan zijn zijde meevochten? Wat wint grootvorst Sadal hiermee? Karwings macht groeit alleen maar.’
Hij schudde zijn hoofd. Gebalde vuisten werden machteloze handen, die langs zijn gespierde lijf bungelden.
‘Een donkere tijd breekt aan, Arblim,’ zei Lycius. Hij schopte een vlak onder de handgreep versplinterd zwaard opzij.
‘Dit is een donker tijdperk, hoe dan ook,’ zei Arblim.
De grond trilde onder hun voeten. Hier kwamen vaak bevingen voor. Lycius meende diep in de aarde gegrom te horen, alsof er een reusachtig beest in huisde. Een beest wás het, dit slagveld. Een monster, opgetrokken uit bloed, botten, doodsangst, dood.
‘Wist Ayl Aetha dit?’ vroeg Lycius. ‘Zegt hij er iets over? Wat vertelt de Legende ons? Jij moet het weten, Arblim. Jij kent hem.’
‘Kende.’ Arblim loosde een zucht. ‘De Legende is lang, ingewikkeld en cryptisch op plaatsen waar je meer duidelijkheid zou wensen. Bovendien heb ik hem lang geleden gelezen, Lycius.’
‘Wisten we maar waar het boek zich bevindt,’ zei Lycius. ‘Als het tenminste nog bestaat.’
‘Het boek bestaat, Lycius. Ik heb zelfs een vermoeden waar het zich bevindt.’
Hij pauzeerde even, alsof hij een weerwoord of een vraag verwachtte, maar Lycius bleef zwijgen.
‘Het zou ons in deze dagen van treurnis heel wat verder helpen. Vergeet niet waar het om gaat.’
‘Ach ja,’ zei Lycius. ‘Het Lied.’
‘Het Lied en Erle Kugahart, het oude zwaard, natuurlijk. Het zou hier ergens moeten rusten, volgens de Kroniek.’
‘Er is naar gezocht. De Ysilianen en de saltaren hebben het hele gebied rond de stad uitgekamd, maar ze hebben geen spoor gevonden. Klopt het wel wat de Kroniek beweert?’
‘Als ik de saltaarse leiders mag geloven kan daarover geen twijfel bestaan. Maar ik ga niet wroeten in deze van bloed en pijn verzadigde aarde. Niet nu. Ik zal later terugkomen.’
Weer viel er een stilte.
Arblim slingerde zijn draagzak over zijn schouder, bukte zich en raapte moeiteloos zijn enorme tweezwaard op. Beide klingen glommen alsof ze gisteren waren getemd op het aambeeld van een meester-smid. Lycius wist beter. Nostre, Arblims beroemde tweezwaard, was vele eeuwen geleden geslagen door een smid, een grootmeester wiens naam in de golven van de tijdzee was ondergegaan. Hij liet zijn vingers over zijn eigen zwaard glijden. Arlandir. Hoe oud het was, wist Lycius niet. Oud, vermoedde hij, heel oud. Het was een geschenk geweest van zijn leermeester.  
‘Ik vertrek,’ zei Arblim eenvoudig.
Ze omhelsden elkaar kort, krachtig, omdat een lang afscheid de pijn ook langer langs hun ziel zou laten schuren.
‘Ik zie je in Erlas Dey,’ beloofde Lycius.
‘Erlas Dey. Betere tijden, Lycius.’
‘Betere tijden, Arblim,’ echode Lycius.
Arblim draaide zich resoluut om en begon westwaarts te lopen. Hij keek niet meer om, maar voelde Lycius’ blik in zijn rug branden.
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Nessa

  • *
  • Posts: 263
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #16 on: May 20, 2006, 04:05:16 PM »
Wauw....
Nog een keer lezen en dan puzzelen. Zwaarden, een boek het klinkt allemaal erg bekend.

N

D'Anjal

  • Administrator
  • *****
  • Posts: 345
    • View Profile
    • Films 2011
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #17 on: May 20, 2006, 04:32:30 PM »
:D 8)
Vae, puto deus fio...
Films 2011

The Hedge Knight

  • *
  • Posts: 19
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #18 on: May 20, 2006, 09:26:31 PM »
Dit klinkt allemaal erg goed, zwaarden, veel rassen als ik de proloog zo lees. Het lijkt wel een begin van een groot episch fantasy zwaard verhaal en is het hopelijk ook..... :wink:

Nessa

  • *
  • Posts: 263
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #19 on: May 21, 2006, 05:40:27 PM »
*Spoiler

Wauw, ik heb al een idee, wie de wever is.
Arblim kennen we ook al. Leuk om juist dit karakter weer terug te zien.
Saltaren....


N

Egwene

  • *
  • Posts: 533
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #20 on: May 21, 2006, 06:49:15 PM »
Ik ga helemaal niks lezen. Ik wacht op het boek zelf.
www.ff-leesclub.nl
Alles over fantasy en meer.

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #21 on: May 21, 2006, 08:14:16 PM »
Daar gaan we maar weer eens...

Nessa, die ene, die "we al kennen", dat zit toch misschien iets anders, hoor. Laat ik zeggen dat je een beetje gelijk hebt. Een beetje...
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #22 on: May 22, 2006, 12:59:27 PM »
Nou, vooruit, hoofdstuk 3.


   3   De dood van een koning


   ‘De Dood een ongenode gast?
   Maar heer, de invitatie was van u.
   Wroet in de voorgaande dagen en vind uw eigen woorden.
   Graaf in uw handelen van gister en vind uw eigen daden.

   De Dood een ongewenst heerschap?
   Maar vrouw, u noodde hem toch zelf.
   Geen tijd voor hem? U zegt het, heer.
   Nog even en uw tijd is vervlogen, als morgenmist uit diepe dalen.
   
   Ik ben Genade, vrouw en heer.
   Ik breng u niet het stille einde.
   Het scherp van mijn bijl schept leven, nieuwe kansen.

   Ik geef u de vuurvrouwe, Nacht en Dageraad,
   ik verschaf u leeftocht, brood,
   en door middel van mijn Bijl, die ongenode gast, de Dood.’


               HET LIED VAN GENADE
               NAAR ASORFINO VAN WOUDSTEEN
                [AQ 1685]



Anu Quistrum 1721 - de maand van Tondering - vierde dag

Sadal Emerith was moe.
Het was na middernacht, maar zijne majesteit de grootvorst van het Rijk van Tath zat nog altijd rechtop in zijn bed, zijn witte haar warrig om zijn benige gezicht. Hij had moeite met in slaap komen omdat de drukte van de dag nog door zijn hoofd spookte. Het was een rommelige dag geweest, geplaveid met plichtplegingen in en rond het Winterpaleis.
’s Ochtends had hij samen met enkele conselors overleg gevoerd met een delegatie van het stadsbestuur van Tathzee. Het ging voornamelijk over de voorbereidingen voor de festiviteiten rond de Dag van de Constitutie. Ieder had zijn zegje willen doen, wat niet zelden tegelijk gebeurde. Daar kwam bij dat wat ze zeiden meer met ijdelheid te maken had dan met de festiviteiten. Vervolgens had hij het middagmaal gebruikt met enkele van zijn conselors, zonder dat er iets van belang was besproken.
Vroeg in de middag was het tijd voor de uitreiking van de jaarlijkse hof-amuletten, een saai evenement. De amuletten gingen al te vaak naar de verkeerde mensen, zoals ditmaal naar kleinhertog Staans, een verwaande kwast uit Syrinth, en de vadsige baroen Kornynen van Warlo, een kruiperige intrigant. Sadal had zijn ergernis over de keuzes van de jury amper voor zich kunnen houden.
Na de thee was het tijd voor de maandelijkse audiënties van de gewestbestuurders. Allerhande geneuzel over de moeizame inning van de lastpenningen, de ongemakken van het besturen van provinciestadjes en -dorpen, burenruzies en ander kleinburgerlijk ongemak. Hij ontkwam er niet aan hen uit te nodigen voor het late banket. Minstens de helft van de regenten nam die gelegenheid te baat om te proberen zijn of haar persoonlijke grieven of wensen informeel aan Sadal voor te leggen. In de vroege avond had hij een proefvoorstelling bijgewoond van het gelegenheidskoor dat op de Dag van de Constitutie de feestelijkheden zou opluisteren met historische liederen. Te zeggen dat ze de vijf- en zesstemmige contra-canons en tyrlandes al onder de knie hadden zou in alle opzichten te veel eer zijn geweest voor hen en hun dirigent, Dom Pelethar, die dit jaar voor het laatst de leiding had. Regelmatig had de oude Pelethar halverwege moeten aftikken omdat het koor de draad kwijt was. Er was niets dat Sadal zo haatte als dergelijk incompetent gedrag.
Ritueel onbelang, noemde hij alles wat onder hofdecorum en tradities van het Rijk viel, en met het politiek gekrakeel en de bijbehorende manipulaties aan het hof had hij al helemaal niets op. Dat zei hij natuurlijk niet hardop, behalve tegen Turrha, zijn kamerheer en enige vertrouweling.
Het enige zinvolle uur was zijn overleg met Andergon, zijn zoon en beoogd opvolger, vroeg in de ochtend.
Sadal zuchtte en liet zijn kin op zijn borst zakken.
De stille Andergon was veel eigenzinniger dan het hof wist. Al jaren vochten vader en zoon een slepend conflict uit over Karwing en zijn quisitoren. Andergon was al vanaf zijn vijftiende van mening dat hij, Sadal, de macht grotendeels verkwanseld had aan Karwing. Andergon haatte de dikke seigneur. Hij haatte de hele Kerk van de ware Maker, met zijn nachtbrengers en die verfoeilijke bijl van genade.
Sadal was het moe steeds weer met zijn zoon te redetwisten over de macht van de quisitoren. Als grootvorst had hij keuzes gemaakt en was, zoals zijn vader had gedaan, zoals de Emeriths altijd hadden gedaan, achter die beslissing gaan staan, met zijn volle koninklijke gewicht. Ruim zeven eeuwen regeerde het geslacht Emerith inmiddels het Rijk van Tath. Alleen door hun standvastigheid en hun ferme besluiten hadden ze het zo lang uitgehouden. Zelfs hun wapenspreuk deed recht aan die onwrikbaarheid: “Beslist en volhardt”.
Dat was van invloed op zijn relatie met Andergon. Tot Sadals opluchting was zijn zoon niet teruggekomen op hun ruzie van de dag ervoor, maar had hij een ongelukkig voorval ter sprake gebracht. Een dochter van een hofjonker was ternauwernood ontsnapt aan de bijl van genade bij een verlossingstocht van de quisitoren die langs allerlei etablissementen voerde.
‘Hoe ver is het al gekomen, vader, als mensen die niets kwaads in de zin hebben voor hun leven moeten vrezen?’ had Andergon hem voor de voeten geworpen. ‘Kunnen wij straks niet meer normaal over straat gaan? Staat straks een bezoek aan een herberg gelijk aan een poging tot zelfdoding?’
Sadal moest het antwoord natuurlijk schuldig blijven. In een moment van helderheid had hij beseft dat hij inderdaad de macht uit handen had gegeven, vierendertig jaar geleden. Hij had de macht verkwanseld! Vreemd genoeg wist hij zich weinig te herinneren van de bezoeken van Karwing, die uiteindelijk de gewraakte besluiten tot gevolg hadden gehad. Soms droomde hij dat Karwings hoofd voor zijn geestesoog zweefde, los van de romp, terwijl het een monotone zang ten gehore bracht. Die droom spatte altijd uiteen in goud, rood en zwart, de kleuren van de ware Maker.
Hij dacht terug aan de onzalige dag dat Karwing besloot het pact van Stor, Sont Gerail, Randrijk en de Ysiliërs aan te vallen. Zeker, hij had heftige tegenwerpingen gemaakt, maar tevergeefs. Karwing had doorgezet. Hij had zijn quisitoren opgezweept. Het bloedgif was rondgegaan. Tienduizenden strijders waren gevallen. Alle Ysilianen waren vermoord. Nog altijd treurden de verslagen volken in stilte om hun doden, wist hij. Vooral in Stor smeulde nog altijd de woede over wat zij het verraad van Tath noemden.
Had Karwing die besluiten afgedwongen? Had hij Sadal in een soort trance gebracht? De laatste maanden had Sadal de neiging te twijfelen aan zijn besluiten. Maar die twijfel had hij met niemand gedeeld, aanvankelijk zelfs niet met Turrha. Hij had het convenant met de kerk erop nageslagen, in de bibliotheek van het Winterpaleis. De tekst was onwrikbaar, de ondertekening was overduidelijk van hem en Karwing. Uiteindelijk had hij het er met Turrha over gehad. Hij was ongewoon duidelijk geweest, had openlijk de juistheid van zijn besluiten betwijfeld.
‘Heer,’ had Turrha gezegd, zoals altijd met kalme stem, ‘Karwing is sluw. Hij moet u getroffen hebben op een uur dat uw scherpte afwezig was. Ja, velen zijn van mening dat u Tath hebt uitgeleverd aan de quisitoren, maar zie het ook eens van een andere kant. Wellicht zou Karwing de strijd met u zijn aangegaan, als hij zijn zin niet had gekregen. Het daarmee gepaard gaande bloedvergieten hebt u in elk geval voorkomen.’
‘In plaats daarvan vergieten de quisitoren het bloed van veel onschuldigen, met mijn medeweten,’ had Sadal er sarcastisch aan toegevoegd.
Turrha had nog iets willen zeggen, maar Sadal had hem weggewuifd.
‘Ik moet nadenken,’ had hij gezegd. ‘Laat mij nu alleen.’
Dat nadenken duurde nu al weken. Hij kwam er niet uit. “Geen enkel besluit is onomkeerbaar”, placht zijn vader Terzal altijd te zeggen, maar Sadal zag geen uitweg. Hij zou de grootvorst blijven die Tath aan de quisitoren had gegeven. Als de quisitoren aan de macht zouden blijven tot lang na zijn dood, zou de geschiedenis ongetwijfeld mild over hem oordelen, maar mocht dat niet zo zijn dan zou hij wellicht als verrader worden gezien. Een onverdraaglijke gedachte.
Er werd geklopt. Sadal bromde iets onverstaanbaars. Turrha kwam binnen met handdoeken voor de ochtend. De bejaarde maar nog altijd soepel bewegende kamerheer legde ze op de tafel naast Sadals bed. Vervolgens diepte hij enkele verse planten van de engelwortel op uit zijn mantelzak en legde ze op de tafel naast Sadals bed. Bescherming tegen het kwaad in welke vorm dan ook.
‘Verder nog iets nodig, heer?’ vroeg hij.
‘Nee, Turrha, ik zie je morgenochtend. Wek me voor zonsopgang, want ik wil een uurtje door de tuin wandelen. Dat gekrakeel aan het hof moet uit mijn hoofd. Bovendien laat dat wat wij onlangs hebben besproken me niet los. Er moet toch een mogelijkheid zijn om...’ Hij zuchtte en wapperde met zijn hand. ‘Ach, laat maar.’
Turrha glimlachte, maar zijn grijze ogen lachten niet mee. Hij produceerde een trage hoofdknik en verdween weer met een gemompeld ‘Slaap goed, heer.’
Sadal zakte een beetje onderuit en maakte de bovenste knoopjes van zijn nachthemd los. Het was een warme nacht. Het raam stond wijd open. Ergens in de paleistuin perste een nachtegaal alles wat hij aan schoonheid bezat in zijn lied.  Een krekel tsjirpte. Een zachte bries ruiste door de posturetstruiken en de lavendel onder Sadals raam. De geheimzinnige geuren van de stervende dag zweefden zijn kamer binnen en nestelden zich tussen zijn gedachten.
Hij greep naar de opgerolde en drievoudig verzegelde brief die een koerier te paard een half uur eerder had gebracht. De man had erop gestaan de brief onmiddellijk en in eigen persoon aan Sadal te overhandigen.
‘Orders van het opperste wereldse gezag van de Kerk van de ware Maker,’ had de man gezegd.
Sadal herkende in de paarse was de afdruk van eerste seigneur Karwings zegelring. Een rood, een zwart en een gouden lint waren om de rol gewikkeld en tot een sierlijke knoop samengebonden.
‘Het rood van vuur, het zwart van de nacht, het goud van de dageraad,’ mompelde Sadal. Hij kende de geschiedenis achter die woorden. De geschiedenis die zo breed werd uitgemeten in het Ware Woord. Eens temeer werd hij overmand door afkeer, walging zelfs tegen alles wat de Kerk van de ware Maker behelsde. Die walging kwam voor hem samen in de persoon van Karwing.
‘Mijn bondgenoot, mijn vijand,’ fluisterde hij voor zich uit.
Hij peuterde aan de was en overwoog het lezen van de brief tot morgenochtend uit te stellen. Karwing stuurde zelden een papieren boodschap. De enkele keren dat dit was gebeurd was het zonder uitzondering slecht nieuws geweest.
Sadal nam een besluit, verwijderde het zegel, ontrolde de brief en begon te lezen. Algauw verschenen er diepe rimpels in zijn voorhoofd.
Hij keek op toen hij buiten een stem meende te horen, die zachtjes een melodie zong, een ongewone opeenvolging van langgerekte tonen. Een wee gevoel nestelde zich in zijn maagstreek. De onbekende melodie morrelde aan de deuren van zijn herinnering. Vreemd.
In zijn ooghoek zag hij iets bewegen bij het venster. Toen hij keek vertraagde de wereld op onbegrijpelijke wijze, met schokjes.
Zijn oogballen weigerden de beweging in de richting van het venster af te maken. Zijn huid begon te tintelen, verkilde toen. Een rilling liep langs zijn ruggengraat.
Eindelijk, na minstens twintig tellen, vonden zijn blik en de beweging elkaar. Het wasbleke gelaat van een vrouw deinde in de vensteropening. Op de achtergrond flonkerden de sterren op een hemelkleed van donker purper.
Pas na enkele tellen besefte hij dat het hoofd van de vrouw niet aan een romp vastzat. Hij ging abrupt rechtop zitten en knipperde met zijn ogen. De schedel van de vrouw begon rond te tollen, almaar sneller. Het lied dat het hoofd zong klom zijn oren binnen en veroorzaakte een duizeling. Hij tastte naar de bedrand maar miste. In een groteske houding bleven zijn hoofd en romp naast het bed hangen, terwijl hij met zijn voeten trappelde. Alle kracht werd uit zijn lichaam weggezogen. Het laatste wat hij zag, toen hij zo, ondersteboven, naar het nu weer heen en weer wiegende gezicht staarde, was een spiraalvormige wolk die uit de mond van de vrouw naar voren sprong, recht op hem af. Toen spatten zijn wereld en zijn leven in rode scherven uiteen.


Toen de dageraad over de stad en de paleistuinen uitwaaierde, betrad Turrha de slaapkamer. Hij overzag de situatie even en glimlachte. Vervolgens liep hij naar het lichaam van zijn meester, tilde het op, legde de vorst terug in zijn hemelbed en dekte hem toe. Hij draaide zich om en begaf zich naar de gang om alarm te slaan.
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Du-Djutz

  • *
  • Posts: 315
  • De eerlijke rechter
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #23 on: May 22, 2006, 01:22:00 PM »
8)
Yes, Ik heb weer iets te lezen...
 8)


* Du-Djutz gooit alle open boeken in de hoek, wat hij wel voorzichtig doet om de boeken niet te beschadigen.*
** the honest judge **

Kartha

  • *
  • Posts: 362
    • View Profile
    • http://www.ziburan.nl
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #24 on: May 22, 2006, 01:52:56 PM »
Quote from: "Maryson"
Zelfs hun wapenspreuk deed recht aan die onwrikbaarheid: “Beslist en volhardt”.
Die laatste t doet raar aan. Moet ik hier "hij" voor lezen?
Dus: Hij beslist en volhardt?
De ogen zijn twee ramen waardoor de ziel naar buiten kijkt.
Thirza Meta: Maanhoedster (Zeríans vloek deel 3)
Exemplaar bestellen? Thirza Meta

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #25 on: May 22, 2006, 02:32:01 PM »
Ah, taalpuree...

Het verborgen woord is hier "allen": beslist en volhardt (allen). Die "allen" zijn alle Emeriths.

Tevreden, puree? :D
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Kartha

  • *
  • Posts: 362
    • View Profile
    • http://www.ziburan.nl
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #26 on: May 22, 2006, 03:22:29 PM »
Ja hoor. Ik ben nu wel benieuwd naar de rest en...

Spoiler:

...naar wie die Turrha nu werkelijk is.
Lijkt verdacht veel op Ruthra en Arthur.

 :)
De ogen zijn twee ramen waardoor de ziel naar buiten kijkt.
Thirza Meta: Maanhoedster (Zeríans vloek deel 3)
Exemplaar bestellen? Thirza Meta

D'Anjal

  • Administrator
  • *****
  • Posts: 345
    • View Profile
    • Films 2011
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #27 on: May 22, 2006, 03:26:50 PM »
:D Ga je het hele boek hier neerzetten, Wim? ;)
Vae, puto deus fio...
Films 2011

Sal A. Mander

  • *
  • Posts: 28
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #28 on: May 22, 2006, 03:46:28 PM »
Ik probeer niets te lezen...
Ik probeer niets te lezen...
Ik probeer niets te lezen...
Ik probeer niets te lezen...
Ik probeer niets te lezen...

maar het is verrekte moeilijk.  :D
 am immortal. I have inside me blood of kings.
I have no rival. No man can be my equal.
Take me to the future of your world.

Du-Djutz

  • *
  • Posts: 315
  • De eerlijke rechter
    • View Profile
Het Lied van de Onsterfelijke (1)
« Reply #29 on: May 23, 2006, 07:52:08 AM »
Spannend is het zeker...
Uit hoofdstuk 3 begrijp ik dat er 34 jaar verstreken is sinds de proloog.

spoilers >>
Arlandir lijkt wel heel erg op Aerleander; welke Rax / C'hart is
zoals Nessa opperde Arblim lijkt op Balmir
<<
** the honest judge **

 

famous
famous