Daar gaan we, met het begin van het boek. Dit heeft in een iets andere vorm al eens op het ter ziele gegane thefellowship.nl gestaan
----------
‘De galerijen tussen de tijdsgewrichten zijn lang
en eentonig in mijn paleis van de eeuwigheid.
De wanden zijn bekleed met de echo’s van
herinneringen. Portretten van geliefden wakkeren
de stille, altijd voortwoekerende pijn aan.
En als zich dan eindelijk, aan het eind
van die monotonie, jaren van belang, uren
van beslissing en momenten van dood en
verderf aandienen, dan is mijn geest onwillig.
Dan ben ik murw gebeukt door het zwijgen
van de goden, het voortkruipen van de dode tijd
en het woordeloze gekrijs van alle stervelingen
die op het slagveld van de eeuwigheid zijn gebleven.
Dan moet ik eerst naar dit boek grijpen en voor
de zoveelste keer in mij opnemen waaróm ik
dit doe. Niet dat ík dat vergeten zou zijn, maar
de tijd waar ik doorheen waad moet het weer weten.
De galerijen tussen de tijdsgewrichten zijn lang en
eentonig in mijn paleis van de eeuwigheid en er is
alleen het pad dat zich vóór me uitstrekt.’
DE KRONIEK VAN DE NIEUWE DAGERAAD
Proloog
De man stond wijdbeens op wat restte van de omloop van de sterkte van Klein Warlo. De wind voerde de stank van de dood met zich mee en speelde met het sluike, blonde haar en de donkergrijze mantel van de man. Onder de mantel werd een leren wambuis zichtbaar en een lang, smal zwaard dat aan een leren klemschede bungelde. Een enkelvoudig zwaard, wat onder zwaardvechters uitzonderlijk was, zoals ook het donkere blad zeldzaam was. De armen van de man waren hard van de spieren. Littekens ontsierden zijn gezicht. De eeltplekken op zijn handen verrieden vele gevechten.
Zo ver zijn oog reikte keek de man uit over het vlees en de botten van tienduizenden mannen en vrouwen. Tot in de wijde omtrek droegen de heuvels de roestbruine kleur van geronnen bloed. De man stuurde de blik van zijn heldere blauwe ogen langs de rokende puinhopen van de sterkte, de gescheurde vaandels van het moedige Sont Gerail, het grimmige Randrijk en het stoere volk van Stor. Hij zocht naar Ysiliaanse tekens, maar vond ze niet. Zijn aandacht werd getrokken door een grotesk scheefhangende pilaar, getooid met de granieten brokstukken van een standbeeld.
‘Ayl Aetha,’ prevelde de man. ‘Heb je dit voorzien? Heb je geweten dat ze je zouden vellen?’
Zijn ogen werden vochtig. De aanblik van verwoesting op deze schaal maakte een spervuur van gevoelens bij hem los.
Eerst was er de verbijstering geweest.
De belofte van eerste seigneur Karwings dat er geen troepenbewegingen zouden plaatsvinden tijdens het overleg tussen hem en de legervoerders van Stor, Sont Gerail, Randrijk en de Ysilianen was niets waard gebleken; de quisitoren hadden hen omsingeld. Ze waren met open ogen in de val gelopen.
Toen was het de angst die opflakkerde, de altijd op de loer liggende doodsangst. Hij had ze met opeengeklemde kaken uit zijn gedachten verwijderd. “Laat vrees toe in je aderen en je bloed zal vloeien”, was hem geleerd in Skarvon.
De woede, tenslotte, had hij nodig gehad om zich staande te houden in de storm van waanzin en door bloedgif opgewekte woede van de quisitoren. Hij had het overleefd, tot zijn eigen verwondering.
En dan nu het verdriet, diep, intens. Het sneed door hem heen als een regen vingerdolken. Verdriet om de mensen die hadden geleden, die uiteindelijk waren gestikt in hun eigen bloed of die zo gelukkig waren geweest aan de plotselinge dood van een bijlslag of een zwaardstoot ten prooi te vallen. Maar ook het verdriet om de mensen die hij had gekend, die hem na aan het hart hadden gelegen. Hij prevelde namen: ‘Weening, Asparu, Hanagir, Spander.’ Stuk voor stuk indrukwekkende, prachtige zwaardvechters. Laviniu, Targils dochter, een zwaardhand die voor maar weinig mannen zou zijn gezwicht, Targil zelf, vier quisitoren waren er voor nodig geweest om hem te vellen. Vairank, de kleine duivelskunstenaar met zijn vele dolken, was gestruikeld over het hoofdloze lichaam van een Randrijker, waarna een nachtbrenger hem door het hart had gestoken. Hij had dat zelf zien gebeuren. Het was allemaal te plotseling, te veel en te veelomvattend. Een week eerder had hij zich nog zorgen gemaakt om het weinige werk dat hem werd aangeboden. Zelfs hij, Lycius van Ostyn, het Beest van Skarvon, de hardste en taaiste van allemaal, met vele honderden doden op zijn geweten, was aangeraakt door het schrille koor van lijden, dood en verderf dat boven Klein Warlo had rondgezongen. Uiteindelijk stroomden de tranen over zijn wangen en werd de wereld een floers, een deken van mist die kleuren in elkaar over liet vloeien.
Snel veegde hij met de rug van zijn hand over zijn ogen. Onwillekeurig speurde hij in het rond.
‘Lycius, je bent een dwaas,’ gromde hij, ‘de doden zien je tranen echt niet.’
Verder dwaalde zijn blik, langs de resten van versplinterde dolken, zwaarden en bijlen, ingedeukte kamphelmen en gekliefde schilden. Hij boog voorover en monsterde de fundamenten van Klein Warlo. Iets blikkerde in het licht van de ondergaande zon. Zijn oog viel op een enorm tweezwaard dat zo op het oog ongeschonden tussen het puin rustte. Hij zoog een ademteug naar binnen.
‘Arblim! Nee, het kan niet waar zijn. Niet hij.’
Hij draaide zich om en sprong van de omloop af. Snel laveerde hij tussen de overblijfselen van Klein Warlo door naar de plek waar het zwaard lag. Hij speurde in het rond, wipte met zijn rechterlaars wapens, schilden, lichamen en hoofden opzij, zodat hij kon zien of Arblim zich onder de slachtoffers bevond.
‘Wat zoek je?’
De stem klonk mild en zacht, maar Lycius tuimelde haast voorover. Hij herstelde zich snel en draaide zich katachtig om. Voor hem stond een rijzige, kale figuur in volle wapenrusting, die een draagzak van zijn schouder loshaakte en hem met een plof vlak naast het onthoofde lijk van een Randrijkse zwaardvechter liet vallen.
‘Arblim!’
Natuurlijk, dacht Lycius, niemand anders zou zich zo timide, bijna terughoudend hebben gemeld. Ze waren tegenhangers, hij en Arblim. Zijn eigen bravoure en het extraverte stonden haaks op de fijngevoeligheid en het welhaast verlegene van Arblim.
‘Lycius,’ zei Arblim. ‘Dacht je dat ik dood was? Je zou toch beter moeten weten.’
Lycius greep de reus bij zijn schouders vast en keek hem diep in de bruine ogen.
‘Ik dank de ware Maker dat je nog leeft, Arblim, maar de ramp is volkomen, mijn vriend. Dit was geen slagveld maar een slachting. Weening is geveld door het zwaard van de eerste nachtbrenger. Tangil van Dorst is dood, evenals Laviniu, zijn dochter. Ook Hanagir en Spander zijn niet teruggekeerd en van mijn groep huurlingen heb ik ook nog niemand gevonden. Met hen zijn honderden, duizenden prachtige jonge mensen uit Stor, Sont Gerail en Randrijk over de kling gejaagd door Karwing en de zijnen. In de val gelokt en met wrede precisie vermoord. En de Ysilianen? Ze zijn uitgemoord. Mijn verdriet past niet in deze wereld! Vind je het gek dat ik even dacht dat ook jij de dans niet ontsprongen was?’
Een begin van een glimlach vormde zich rond Arblims mondhoeken. Zijn ogen bleven echter dof.
‘Er is meer voor nodig dan de door gif opgewekte woede van de quisitoren en de halfslachtige magie van het Volkomen Woord om mij in gevaar te brengen, Lycius. De strijd is gestreden. We hebben veel verloren, maar niet alles. Ik kom mijn zwaard ophalen. Daarna vertrek ik samen met een groep saltaren naar Erlas Dey. Ga je mee?’
Lycius schudde zijn hoofd en liet Arblim los.
‘Nog niet. De quisitoren zijn samen met het Tathse leger in triomf op weg, terug naar Tathzee en Yron Balgust. Ik kan ongestoord op zoek naar overlevenden. Morgen komen Uvander en Epergain me helpen. Wie weet, vinden we nog een Ysiliër.’
‘Wie weet,’ echode Arblim.
Een tijdlang stonden ze daar, zwijgend, vervuld van het tumult van hun gedachten.
‘De vrouw?’ Arblim fluisterde. Voor het eerst las Lycius spanning op het gezicht van de zwaardvechter.
‘Ik heb gehoord dat ze haar achterna zijn gegaan tot aan Mynstade,’ antwoordde Lycius. ‘De quisitoren kwamen terug met het vuur van de triomf in hun ogen. Toen ze waren vertrokken heb ik overal gezocht, maar van haar heb ik geen spoor meer gevonden.’
Hij keek op. Er blonken opnieuw tranen in zijn ogen.
‘Waarom?’ vroeg hij hees.
Arblim bleef zwijgen.
‘Waarom haatten de quisitoren de Ysiliërs zo hartgrondig dat ze hen hebben uitgeroeid?’
Arblim stapte achteruit.
‘Haatten de quisitoren de Ysiliërs?’ Voor het eerst klonk hij heftig. Lycius zag hoe hij zijn vuisten balde tot de knokkels spierwit werden. ‘Of was het alleen Karwing? Hoe kreeg Karwing Tath zover dat ze aan zijn zijde meevochten? Wat wint grootvorst Sadal hiermee? Karwings macht groeit alleen maar.’
Hij schudde zijn hoofd. Gebalde vuisten werden machteloze handen, die langs zijn gespierde lijf bungelden.
‘Een donkere tijd breekt aan, Arblim,’ zei Lycius. Hij schopte een vlak onder de handgreep versplinterd zwaard opzij.
‘Dit is een donker tijdperk, hoe dan ook,’ zei Arblim.
De grond trilde onder hun voeten. Hier kwamen vaak bevingen voor. Lycius meende diep in de aarde gegrom te horen, alsof er een reusachtig beest in huisde. Een beest wás het, dit slagveld. Een monster, opgetrokken uit bloed, botten, doodsangst, dood.
‘Wist Ayl Aetha dit?’ vroeg Lycius. ‘Zegt hij er iets over? Wat vertelt de Legende ons? Jij moet het weten, Arblim. Jij kent hem.’
‘Kende.’ Arblim loosde een zucht. ‘De Legende is lang, ingewikkeld en cryptisch op plaatsen waar je meer duidelijkheid zou wensen. Bovendien heb ik hem lang geleden gelezen, Lycius.’
‘Wisten we maar waar het boek zich bevindt,’ zei Lycius. ‘Als het tenminste nog bestaat.’
‘Het boek bestaat, Lycius. Ik heb zelfs een vermoeden waar het zich bevindt.’
Hij pauzeerde even, alsof hij een weerwoord of een vraag verwachtte, maar Lycius bleef zwijgen.
‘Het zou ons in deze dagen van treurnis heel wat verder helpen. Vergeet niet waar het om gaat.’
‘Ach ja,’ zei Lycius. ‘Het Lied.’
‘Het Lied en Erle Kugahart, het oude zwaard, natuurlijk. Het zou hier ergens moeten rusten, volgens de Kroniek.’
‘Er is naar gezocht. De Ysilianen en de saltaren hebben het hele gebied rond de stad uitgekamd, maar ze hebben geen spoor gevonden. Klopt het wel wat de Kroniek beweert?’
‘Als ik de saltaarse leiders mag geloven kan daarover geen twijfel bestaan. Maar ik ga niet wroeten in deze van bloed en pijn verzadigde aarde. Niet nu. Ik zal later terugkomen.’
Weer viel er een stilte.
Arblim slingerde zijn draagzak over zijn schouder, bukte zich en raapte moeiteloos zijn enorme tweezwaard op. Beide klingen glommen alsof ze gisteren waren getemd op het aambeeld van een meester-smid. Lycius wist beter. Nostre, Arblims beroemde tweezwaard, was vele eeuwen geleden geslagen door een smid, een grootmeester wiens naam in de golven van de tijdzee was ondergegaan. Hij liet zijn vingers over zijn eigen zwaard glijden. Arlandir. Hoe oud het was, wist Lycius niet. Oud, vermoedde hij, heel oud. Het was een geschenk geweest van zijn leermeester.
‘Ik vertrek,’ zei Arblim eenvoudig.
Ze omhelsden elkaar kort, krachtig, omdat een lang afscheid de pijn ook langer langs hun ziel zou laten schuren.
‘Ik zie je in Erlas Dey,’ beloofde Lycius.
‘Erlas Dey. Betere tijden, Lycius.’
‘Betere tijden, Arblim,’ echode Lycius.
Arblim draaide zich resoluut om en begon westwaarts te lopen. Hij keek niet meer om, maar voelde Lycius’ blik in zijn rug branden.