De voorlopige proloog van het tweede boek. Pas als publicatie nadert, zal ik nog iets posten, anders wordt de uitgever misschien bozig
ProloogDe figuur trotseerde de storm, die de vlakte geselde. De grijze mantel klapperde als een flakkerende vlam met de rukwinden mee, maar het marmeren lichaam bleef roerloos, als een pilaar die boven de aarde uittorende, die de pijn van het striemende zand als een draagbaar ongemak voor lief nam. Het gezicht was als uit graniet gehouwen, van een soort grijs die alle andere kleuren ongezien met zich meedraagt. De ogen gloeiden als twee warme vuren, die goudkleurige irissen met smalle, bijna ovalen pupillen omkransten. De blik, leeftijdloos, maar vervuld van wijsheid en weten en de melancholie die daarbij hoort, staarde in de zandwervelingen. De figuur tilde een arm op en hield het hoofd schuin. Dunne vingers tekenden een patroon in de lucht. De storm deinsde terug, het zand beschreef een boog om de figuur heen. Een stemgeluid werd die door een bezwering geboetseerde luwte ingestuurd; wat schor, maar toch vol en diep als een basluit.
‘Maramee, zo lang al en nog altijd komen de lijnen niet samen.’
De greep op de staf werd verstevigd. De andere hand omklemde een gouden amulet, die aan een leren hanger om de hals van de figuur bungelde. In het goud was een steensplinter ingelegd.
De stem werd nog dieper, donkerder.
‘Ach, hoe langer de draad van mijn tijd zich uitrekt, des te relatiever worden wensen. Zelfs woorden als geduld en wachten hebben hun betekenis verloren. Ik ben, ik besta, tegen alle menselijke wetten in. Dat is voldoende.’
Lang zweeg de figuur en bestudeerde de noordoostelijke horizon, waar de vorm van een gebergte zo nu en dan zichtbaar werd door de zandnevel heen.
‘Zolang het woord leven zijn betekenis maar niet verliest,’ klonk het uiteindelijk weer met de schorre stem.
De vingers tekenden opnieuw een patroon in het niets, lieten de storm weer toe in de luwte. Er vielen grijze schellen over het goud van de ogen. Het marmeren lichaam draaide zich half om. De ogen bleven rusten op de contour van een duizelingwekkend bouwwerk dat scheef in het woestijnzand hing.
‘Yndivaer.’ Het gemompelde woord, bol van onbenoembare emotie, werd gegrepen door een ziedende windvlaag, die gezonden leek door de hand van een duistere tegenstrever.
De figuur liet zich door de stormvlagen meedragen naar het bouwwerk. Liep hij? Hij leek wel werkelijk te worden opgetild door de wind. Het gebouw – was het wel een gebouw? – lag in een kom. Aan de rand stopte de man en keek op, alsof hij iets hoorde boven het razen van de wind uit.
‘Wat roert zich daar?’ zei hij. ‘Welke wezens hebben de woorden geduid? Vriend of vijand?’
Hij daalde af en werd opgeslokt door een poort die hem wel honderd keer kon bevatten. Een tel lang lichtte een bleek schijnsel op.
Was dat een teken? Een schorre schreeuw rolde over de vlakte. Uit de grauwheid van de zuidelijke achtergrond doemde een grote vogel op; grijze en witte veren, een lange, kromme snavel en een enorme spanwijdte. Een in een bruine mantel gehulde vrouw troonde op de rug van het dier. Ze hield de vogelriem rond de hals van het dier losjes met één hand vast.
De storm luwde binnen enkele tellen. Het gebouw verdween achter nevelslierten, die uit de poriën van de woestenij tevoorschijn kwamen en als geesten naar elkaar toe zweefden.
‘Hier moet het ergens zijn, Klauw,’ riep de vrouw, klaarblijkelijk tegen de vogel. ‘De lucht zindert van de magie. Oude magie, van voor de bevingen. De storm is gemaakt van Witte Weefwind. De mist is afkomstig van een Vormloos Neerdalende Grijswalm en trekt binnen tien tellen op, indien de schepper ervan dat zou willen. Hier hangen spreuken en bezweringen in de lucht, zo voor het grijpen, voor wie de oude magie beheerst.’
Ze speurde de vlakte af, maar miste de torens van het gebouw, waaroverheen de mantel van de nevel was geworpen.
‘Voor wie de oude magie beheerst,’ herhaalde ze, ‘en dat kan er maar één zijn, als mijn duidingen kloppen.’
Ze dirigeerde de vogel in een grote boog naar het noorden. Daar doemde een vorm op. Het leek een enorm standbeeld, zomaar midden op de vlakte neergezet. Toen ze dichterbij kwamen bleek het de versteende gedaante van een gevleugeld wezen te zijn.
‘Gosiu,’ zei de vrouw. ‘Eén van de vier wachters uit de legende. De eeuwen hebben het nauwelijks aangetast. Dit land heeft ooit onder water gestaan, heeft geleden onder aardschokken van een heftigheid die wij nauwelijks kunnen bevatten. Duizenden stormen hebben dit beeld van alle kanten aangevallen, maar het staat er nog. We zijn op de juiste plaats, Klauw.’
Ze liet de vogel enkele keren rond het versteende beeld cirkelen.
‘Ongeschonden,’ bromde ze. ‘Heeft de tijd geen vat op de wachters? Deze lijkt wel te leven.’
De blik in haar bleke ogen lichtte even op.
‘Terug naar de poort, Klauw,’ riep ze toen, boog voorover en klopte het dier op zijn kop.
De vogel slaakte een korte, droge kreet en wiekte noordwaarts.
Mistdraden werden door onzichtbare handen omhooggetrokken en voegden zich in het wolkendek van parelmoer. Honderd tellen later vertoonde de figuur zich in de poortopening en tuurde naar de plek waar de vogel was verdwenen.
‘Maramee, een voorteken.’ Er klonk iets van oneindige opluchting door in de stem. ‘Maar een voorteken is nog geen Teken.’
Zo bleef hij staan, uren, totdat de dag diep van kleur werd. De wolken weken vaneen toen het tijd was voor de sterren. Een loden stilte daalde over de vlakte. De figuur zuchtte en verdween weer in het bouwwerk.