Author Topic: Voor de lange wachters...  (Read 9518 times)

Mara

  • *
  • Posts: 296
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #45 on: February 18, 2009, 04:54:12 PM »
juist dat bedoelde ik. ;)
Oma van Maria Freyalise 19-11-2005

Mara

  • *
  • Posts: 296
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #46 on: February 20, 2009, 03:42:36 PM »
Ik heb vanmorgen boek no. 2 besteld bij onze plaatselijke "verboden rijk" boekenwinkel.
Zei de lieve schat achter de toonbank, dat de uitgever 16 maart als datum heeft opgegeven. Hiep Hoi!!!!!!!!!??
Oma van Maria Freyalise 19-11-2005

ilyce

  • *
  • Posts: 6
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #47 on: February 20, 2009, 03:53:08 PM »
hoi
Hoop dat het waar is, dan kan hij mee op vakantie lekker op het strand van Koh Samui lezen  :D

Kartha

  • *
  • Posts: 362
    • View Profile
    • http://www.ziburan.nl
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #48 on: February 23, 2009, 11:30:21 PM »
Op de website van Mynx staat zelfs 1 maart.
http://www.mynx.nl/verwacht.asp
De ogen zijn twee ramen waardoor de ziel naar buiten kijkt.
Thirza Meta: Maanhoedster (Zeríans vloek deel 3)
Exemplaar bestellen? Thirza Meta

Mara

  • *
  • Posts: 296
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #49 on: February 24, 2009, 04:54:51 PM »
het wordt steeds beter!
Oma van Maria Freyalise 19-11-2005

Du-Djutz

  • *
  • Posts: 315
  • De eerlijke rechter
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #50 on: February 24, 2009, 05:29:43 PM »
@Kartha & Mara : 1 maart staat er al een flinke tijd, maar dat wil zeggen in maart. Wim heeft echter gemeld april en daar ga ik vanuit tenzij Wim beter nieuws heeft, al zou de boekhandel de goede datum moeten hebben (in dat geval dus 16 maart).
** the honest judge **

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #51 on: August 04, 2009, 07:01:22 PM »
Welaan, het duurt zo lang. Ter voorbereiding van nieuws over het verschijnen van de volgende delen, een stuk van hoofdstuk 11.


11   Llo Haiwe

   
‘De langlevers laten niet na te benadrukken dat zij alleen maar schouwers zijn; dat de loop der eeuwen voor hen is als de loop van een rivier. Ik heb echter ervaren dat ze de neiging hebben hun stempel op elk tijdsgewricht te drukken. Dat doen ze subtiel, onopvallend, schijnbaar passief, zonder dat je werkelijk kunt zeggen: zie je wel, door hun toedoen is dit gebeurd.’

               ALS JAREN EEUWEN WORDEN
                IRIBAD LEYTING THAIR [AQ 1661]

Anu Quistrum 1721 - de maand van Tondering - zevenentwintigste dag

           
Karwing leefde.
De eerste seigneur van de Kerk van de Ware Maker was allerminst ten prooi gevallen aan een moordenaar. Hij had die mare hoogstpersoonlijk de wereld in geholpen om de aandacht van zijn plannen af te leiden. Was het een beredeneerde beslissing geweest of had hij zijn intuïtie gevolgd, toen hij besloot niet naar Warlo te gaan? Waarschijnlijk een combinatie van die twee. Natuurlijk was hij als één van de weinigen op de hoogte van het belang van Erlas Dey. Natuurlijk kende hij misschien wel als enige de uitkomst van de Rite van Opwekking. Hoe dan ook, het was een goed besluit geweest. Niet dat hij zijn plaatsvervanger, tweede kapittelmeester Lerzing, vertrouwde. Lerzing was een grijze muis die door slim en stilletjes manoeuvreren tweede kapittelmeester was geworden. Deze muis was zijn vertrouwen allerminst waard, en was ook niet op de hoogte van de Rite. Nee, hij vertrouwde wél op mensen als Tunrader en Vogt, capabele leiders met een messcherp inzicht. Zij zouden aan het begin van de strijd de Rite van Opwekking in gang zetten. Zij moesten toch in staat zijn hun tegenstanders bezig te houden. Lang genoeg om de Rite te volvoeren en dan...
Hij maakte de gedachte niet af. De verrassing zou in ieder geval compleet zijn, zelfs voor Tunrader en Vogt. Eigenlijk was Karwing ook benieuwd wie van zijn tegenstrevers er als eerste achter zou komen dat hij, de gevreesde eerste seigneur, een voorsprong van enkele dagen op hen had genomen.
In stilte vervloekte hij het pad dat zijn rijtuig moest nemen. Het constante, ritmeloze geschud en gebonk teisterde zijn omvangrijke lijf. Er was maar één weg die hem per koets naar zijn bestemming kon voeren, zonder dat hij kans maakte te worden gezien door ongewenste ogen. Het was een aanzienlijke omweg, langs grimmig getande bergruggen, over ongemakkelijke passen, door verlaten wouden en benauwde valleien, maar de geheimhouding woog zwaarder. Twee, drie dagen dacht hij nodig te hebben. Drie dagen in de bibliotheek van Erlas Dey.
‘De Codex,’ mompelde hij. Zijn gelaatstrekken verhardden zich. Hij wist vrijwel zeker dat het boek daar was en dat zelfs Prematus Zuwis van Erlas Dey niet van het bestaan op de hoogte was.
‘Alleen Kuraian vermoedt het,’ gromde hij. ‘Het zou me verbazen als hij stil aan het andere eind van het Pad naar de Hemel bleef zitten. Tijd, onze vijand, onze bondgenoot.’
Weldra zouden ze in de buurt van Tarfilion geraken. Hij wist beter dan te hopen dat hij de bergvesting ongezien kon passeren. Er waarden teveel trawanten van de nieuwe grootvorst en de keizerin rond. En mocht hij die weten te omzeilen, dan waren er altijd nog de spionnen van soeverein Ffeyths; de besten in hun vak. Hij schoof zijn onderlip naar voren en kneep zijn ogen enkele tellen dicht. Teveel factoren waarmee hij rekening moest houden, maar anderzijds hield hij ervan orde te scheppen in de vele verwikkelingen die op zijn pad kwamen.
Misschien zou hij zichzelf de luxe van één overnachting in een normaal bed toestaan, maar dat was afhankelijk van het nieuws dat men hem zou brengen. Met een nieuwe koets, verse paarden en een grotere escorte zou hij verder trekken, de Nachtbergen in. 
Hij was moe. Moe van de reis, maar vooral van het denken. Er gebeurde zoveel tegelijk. Het meeste wist hij wel te voorspellen, maar er bleven altijd onverwachte pionzetten of roekeloze acties van dwarsliggers over, die zijn aandacht vroegen. Had hij de komst van de femaal onderschat? Hij kende zo ongeveer elk geschrift over de Kunst. Hij meende te weten waartoe deze vrouw in staat was, maar hij slaagde er niet in, de gevolgen te overzien.
‘Waar is ze?’ gromde hij. ‘Wat doet ze? Ze zit ongetwijfeld ergens in de buurt van Warlo.’
In een zeldzaam ogenblik van twijfel stelde hij zich voor dat de vrouw de balans straks, tijdens de onvermijdelijke tweede Slag bij Warlo, zou doen doorslaan in zijn nadeel, dat hij toch iets over het hoofd had gezien.
‘Onmogelijk,’ zei hij hardop. Meteen herinnerde hij zich hoe hij zijn getrouwen altijd op het hart drukte niets voor onmogelijk te houden.
Hij sloot zijn ogen en vermeed het, nog langer aan de femaal te denken. Er waren genoeg andere wezens die hem last bezorgden.
Eén naam, één figuur, bleef keer op keer voor zijn geestesoog opdoemen.
‘De doder hale je ziel, Asorfino,’ gromde hij toen hij voor de zoveelste keer ging verzitten. ‘Je bent de gevangene van jouw tijd. In een ander leven zou je misschien mijn vriend zijn geweest. Soms wenste ik dat je meer wist.’
Een diepe zucht volgde op die cryptische bewoordingen.
De wagenvoerder slaakte een kreet, het rijtuig kwam hotsend tot stilstand.  Karwing hees zich van de bank en deed de deur open.
‘Waarom stoppen we?’ riep hij.
‘De weg is geblokkeerd, seigneur,’ antwoordde de wagenvoerder, een kale quisitor die de middelbare leeftijd zichtbaar voorbij was.
Karwing stapte uit en monsterde de boomstam die hun het doorrijden belette. Achter hen doemden de vier quisitoren te paard op die de koets begeleidden. Karwing wenkte ongeduldig en wees.
‘Waarom rijden jullie áchter de koets? Het gevaar loert voor ons. Haal die boom daar weg. Doe het snel. Ik wil voor zonsondergang de wouden hebben verlaten.’
Terwijl de quisitoren de boom wegsleepten, monsterde Karwing de dichtbegroeide hellingen van het dal waarin ze zich bevonden. In dit nauwelijks bewoonde deel van Randrijk voelde hij zich niet op zijn gemak. Was het de wind die door de kronen van de posturetten ruiste en de struiken deed ritselen, of werden ze werkelijk bespied? Hij kwam in de verleiding om met het Volkomen Woord, zijn eigen magische variant van de Kunst, te onderzoeken of zich inderdaad wezens schuilhielden in het struikgewas. Maar er was natuurlijk altijd de kans dat er magieduiders in de buurt waren en dan zou hij zomaar zelf het geheim van zijn aanwezigheid hier prijsgeven.
‘Honderd ogen beloeren me vanachter blad en stam, maar ik zie ze niet,’ citeerde hij Darvak Veelmond, de vermeende verrader van de Vuurvrouwe. Hij schudde zijn hoofd en vervolgde: ‘Velen jagen de eeuwigheid na, maar alleen de volhouders komen in de buurt. En van die volhouders ben ik waarschijnlijk de enig overgeblevene.’
‘Seigneur,’ klonk het schor achter hem.
Karwing draaide zich snel om. De mengeling van verbijstering en angst in de grote ogen van de wagenvoerder vertelde hem dat de man zijn laatste woorden had gehoord.
‘Hoe heet je,’ blafte Karwing.
‘Stiels, seigneur,’ piepte de man.
‘Je hebt niets gehoord, Stiels. Het doel van deze reis is en blijft je onbekend. Elke andere mogelijkheid, elke overweging van jou, staat gelijk aan jouw dood.’
‘Zeker, seigneur,’ zei de wagenvoerder, wiens blik star naar een punt achter Karwings hoofd priemde. ‘De weg is vrij. We kunnen verder.’
‘Waar wacht je dan op?’
De wagenvoerder haastte zich naar de bok en mende de koets tot vlak naast Karwing. Deze gebaarde naar de quisitoren.
‘Twee voor en twee achter de koets,’ riep hij.
Weldra waren ze weer op pad.

Uit de struiken langs het pad kwamen twee boomlange, in schaduwgrijze mantels gehulde schepsels tevoorschijn. Magere figuren met knokige ledematen die niet menselijk leken. Ze hadden dunne, puntige oren en fletsgrijze oogbollen. Geen spoor van lichaamsbeharing. Ze staarden de kleine stoet na en mompelden woorden tegen elkaar in een vreemde taal. Uit hun houding sprak tevredenheid, alsof alles volgens plan verliep.
Ze tuurden nog een tijdje naar de plaats waar Karwing en de quisitoren waren verdwenen. Toen draaiden ze zich als bij afspraak gelijktijdig om en lieten zich opslokken door de struiken.
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Gingergirl

  • *
  • Posts: 402
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #52 on: August 05, 2009, 10:15:54 PM »
It is beautiful.

Het stukje is echt prachtig Wim. Het wachten meer dan waard. Nu ben ik alleen maar meer nieuwsgierig naar het hele boek :).
Southern Writing Group, Megani's Heirs.

Nessa

  • *
  • Posts: 263
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #53 on: August 06, 2009, 09:52:26 AM »
*zucht*

Mara

  • *
  • Posts: 296
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #54 on: August 06, 2009, 06:35:47 PM »
Oma van Maria Freyalise 19-11-2005

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #55 on: February 10, 2010, 05:02:46 PM »
Zes paarden galoppeerden in een ordeloze rij over de vlakte benoorden de bergen van Stor. Windvang, werd de uitgestrektheid van deze onvruchtbare, boomloze vlakte achter het plateau van Voer genoemd. Geen dorp, geen gehucht, geen nederzetting te bekennen. Nergens de geruststellende streep van een rookpluim die in de windstilte omhoog kroop. Dit was onbewoond land. Ver in het zuiden lag een rafelige rand op de horizon: de Windbergen. De groep trok echter westwaarts, richting de Woudlanden boven Lakerval. Zes paarden, die zeven mensen droegen. Het waren Lycius, de huurling, de speelman Upal Rahland, Jerinda, de gidsvrouw uit Storval, die achterop zat bij Winter, de mysterieuze vogelvrouw uit de bergen en achteraan de rij de Storse garden Stark, Karagil en Gred. Ze waren op weg naar Warlo. Alleen Winter scheen meer van hun doel of taak daar te weten, maar de vrouw was weinig spraakzaam daarover.
Lycius mende zijn rijdier naast dat van Winter en Jerinda.
‘De dieren worden moe,’ riep hij boven het hoefgetrappel uit. ‘Laten we pauzeren.’
Winter bracht haar paard tot een stapvoetse gang en wees voor hen uit.
‘Niet ver van hier zijn wat kleine bossen, de voorlopers van de Wouden. Laten we tot daar doorrijden.’
Ze speurde de horizon af.
‘Het is beter als we ongezien blijven.’
Lycius volgde haar blik.
‘Zijn hier vijanden in de buurt?’ vroeg hij.
Winter antwoordde niet. Ze keek Lycius even aan met een donkere blik en zette weer aan, maar hield haar rijdier nu in halfgalop.
Lycius' blik ving een beweging in het noorden op. Het was een grote vogel. Was het Klauw, de habecht van Winter? Het dier kwam dichterbij. Wel een habecht, maar niet Klauw, zag Lycius aan de schonkige wiekslag. Nu zag hij dat het dier bruiner was dan Klauw en nog groter leek. Hij wilde Winter erop attenderen, maar zij had het dier al gezien. Ze bracht haar rijdier tot staan. Zette haar vingers aan haar lippen en floot een schrille roller.
Als antwoord slaakte de habecht een hoge, gebarsten kreet en verhoogde het tempo van zijn vleugelslag.
Even later verscheen een tweede stip aan de horizon. Een bekende kreet.
‘Klauw!’ riep Winter achterom, toen ze haar paard tot volle draf aanzette.
Haar habecht liep snel in op de bruine vogel. Toen het dier Klauw in de gaten kreeg, slaakte het opnieuw een kreet, verlegde zijn koers naar het oosten en verdween uit het zicht. Klauw bleef even in de buurt, maar wiekte toen weer weg naar de horizon.
Niet veel later doemden de eerste bosschages op; kleine eilanden in een verder lege zee.
Winter mende haar paard naar de eerste grotere verzameling wilde kanterbomen en struiken.
Toen ze zich onder het bladerdek van de grootste kanterboom hadden verzameld en hun rijdieren hadden vastgebonden aan een laaghangende tak, zei Winter somber: ‘Dat was de vogel van een zoeker. We zijn ontdekt. Vanaf nu zullen we heel voorzichtig moeten zijn.’
‘Een zoeker?’ vroeg Lycius. ‘Een magiezoeker, bedoelde je? Wie is hier de magiër?’
Winter keek hem scherp aan.
‘Twee,’ zei ze en greep Jerinda bij haar schouder. ‘Jerinda is halfmagiër en ik ben een echte, oude magiër.’
Lycius en de anderen keken verrast van Winter naar Jerinda.
Van Winter had hij dit wel verwacht, maar Jerinda. Hij peinsde even.
‘Maar een zoeker kan toch alleen magie ontdekken, niet een magiër die zijn vermogen niet gebruikt.’
Winter boog haar hoofd.
‘Mijn fout,’ zei ze. ‘Ik heb al onze paarden wat extra kracht meegegeven, zodat we sneller vooruit konden komen. Ik dacht…’
‘Het is zoals het is,’ zei Jerinda, nuchter als altijd. ‘Nu moeten we zorgen dat we ons geen achtervolgers op de hals halen. Dat zal moeilijk worden, gezien het spoor dat wij door de leegte trekken.’
‘Als we de groep opsplitsen?’ stelde Upal voor. ‘Ieder een eigen route?’
Winter schudde haar hoofd.
‘Dat is geen optie. Degenen die ons zoeken zijn met velen.’
‘Wie zijn het?’ vroeg Lycius.
Winter zweeg even en staarde voor zich uit. Ze leek een besluit te nemen.
Ik ben een waarder. Neergezet langs de lijnen van tijd en kracht om ervoor te zorgen dat de plannen van Ayl Aetha niet worden doorkruist door kwade machten. Die machten vermoeden dat in dit tijdsgewricht een wezenlijke verandering zal plaatsvinden. Een verandering die zij niet wensen. Elk schepsel dat kan lopen, vliegen of zich op een andere manier kan voortbewegen is te hulp geroepen om die verandering te bestrijden. Ten koste van veel, misschien wel alles, willen zij winnen.’
Lycius begreep dat Winter nog lang niet alles had gezegd, maar voelde ook dat ze al meer had verteld dan ze eigenlijk wilde. Hij knikte. Alsof dat een teken was, scheerde een rauwe kreet door de hemel. 
‘Laten we nadenken wat we moeten doen,’ zei Winter. We moeten straks verder, want Jerinda heeft gelijk: het spoor van paardenhoeven naar deze bomen is als een pijl die zegt: hier zitten ze. Ik kan die sporen uitwissen met een spreuk, maar dan vinden ze ons via de zoekers. Magieloze spreuken bestaan niet.’
Er viel een stilte. Ideeën werden geopperd en verworpen. Uiteindelijk nam Upal het woord.
‘Als we er één van ons opuit sturen met de paarden?’ begon hij voorzichtig. ‘In welke richting dan ook, maar niet naar het westen. Na een tijdje gaan wij op pad, misschien ook niet rechtstreeks naar het westen. We proberen zo snel mogelijk één van de wouden te bereiken, of rotsgrond, waar onze sporen niet te volgen zijn.’
‘Dat betekent dat we te voet verder moeten,’ zei Lycius.
‘Dát of ontdekking en dan krijgen we de hele onderwereld op onze nek, begrijp ik,’ zei Karagil.
Ze keken naar Winter.
‘Het is een slecht plan,’ zei ze, ‘maar wel het enige tot nu toe. Al mijn oplossing hebben met magie te maken.’
‘Ik zeg: doen,’ zei Lycius. ‘Ik heb helaas wat ervaringen met wezens van gene zijde. Een confrontatie met dit soort demonen willen we ten koste van zo ongeveer alles voorkomen. Redelijkheid en mededogen zijn onbekende begrippen voor hen. Ze zijn de verpersoonlijking van het kwaad.’ 
Winter kauwde op haar onderlip.
‘Wie?’ zei ze toen. ‘Wie offert zich op?’
‘Rijdt degene die de paarden meeneemt een wisse dood tegemoet?’ vroeg Stark.
‘Die kans is vrij groot,’ zei Winter.
Stilte.
‘Ik,’ zei Stark toen. ‘Ik neem de paarden mee.’
Upal en Starks kameraad Gred maakten heftige tegenwerpingen, maar Stark bleef bij zijn besluit.
‘Ik vertrek onmiddellijk en dan rijd ik noordoostwaarts. Volgens mij ligt in tegenovergestelde richting, in het zuidwesten, het eerste woud, Klein Donkerwold. Niet de meest ideale plek, want de geesten hebben er vrij spel, maar wel de dichtstbijzijnde plek waar de gevleugelden ons… jullie niet zomaar kunnen volgen. Ik herinner mij dat je via dat woud bijna ongezien in Groot Donkerwold kan komen. Aan de andere kant zit je vlak bij de uitlopers van de pieken van Tath en dus bij Warlo.’
‘Dat klopt,’ beaamde Lycius. ‘Ik ben er ooit geweest en moet de weg nog wel ongeveer kennen.’
Hij wendde zich tot Stark.
‘Neem mijn diepste respect met je mee. Ik zal tot de Maker bidden dat je gespaard zult worden. Jouw heldendaad dwingt ons, onze missie te volbrengen, zodat je offer niet vergeefs zal zijn.’
Ze omhelsden Stark één voor één. Ze gaven hem extra proviand mee en bonden de paarden aan elkaar. Stark sprong lenig op de voorste hengst, stak zijn hand op en plantte zijn hakken in de lendenen van het dier. Ze staarden hem na, tot hij niet meer dan een stip aan de horizon was.
Winter slaakte opeens een reeks scherpe kreten, gevolgd door hoog gefluit.
‘Klauw,’ verklaarde ze. ‘Ik vraag Klauw of hij Stark in de gaten wil houden.’


Toen de zon zijn hoogste punt voorbij was, kondigde het geruis van vlerken de komst van een wezen aan. Iets zwaars landde dreunend vlak bij de bosschages. Een diep, raspend keelgeluid werd gevolgd door gesnuif. De zes verscholen zich in de struiken. Wat het ook was, het schepsel snoof aan het spoor van Stark. Een diep, gorgelend keelgeluid klonk op. Voetstappen dreunden; het monster kwam op hen af! Gelukkig hadden ze hun sporen deels uitgewist, zodat het leek alsof ze, evenals Stark, weer waren opgestegen. Ze bukten, zodat ze niet te zien waren. Winter had hen gewaarschuwd dat het sterkste zintuig van demonen hun geurzin was. “Ze kunnen angst ruiken”, had ze gezegd.
Lycius had zich afgevraagd hoe je zuur angstzweet kon verdoezelen. Dat leek hem onmogelijk. Hij probeerde aan andere dingen te denken, terwijl de grond beefde en een geschubde poot met een gespleten hoef op nog geen vijf meter afstand in het rulle zand landde. Een bijtende stank wolkte samen met stof op hem af. Hij hield zijn hand voor zijn neus, om te voorkomen dat hij zou niezen. Toen draaide het schepsel zich om, snoof in een andere richting en dreunde weg. Na wat een eeuwigheid leek, slaakte het een kreet die rillingen over Lycius' rug deed lopen. Ze hoorden wiekslagen die zich snel van hun schuilplaats verwijderden.
‘Gelukt,’ verzuchtte Karagil, toen ze uit de struiken tevoorschijn kwamen.
‘Misschien,’ zei Winter. ‘Toch wacht ik liever een tijdje voordat we verder trekken.’
De middag gleed voorbij. In de verte hoorden ze enkele keren kreten, maar er vertoonde zich niets meer in hun buurt.
‘Als we nu vertrekken,’ zei Lycius, ‘denk ik dat we het woud bereiken als de avond valt.’
Winter knikte.
‘We gaan.’
‘Een standbeeld voor Stark,’ verzuchtte Upal, toen ze in ganzenpas de dekking van de bomen verlieten. ‘Ik zal in ieder geval een lied maken, waarin zijn heldendaad wordt bezongen.’
Instemmend gemompel.
Lycius kreeg gelijk. Toen de zon de horizon aanraakte, doemde een woudrand op. De schemering viel snel in. Ze bereikten het woud en konden maar net aan onderscheiden waar ze waren. Ze lieten zich door de eerste bomenrand opslokken, hielden halt op de eerste de beste open plek en zochten een behoorlijke slaapplaats. Lycius maakte een stuk bosgrond vrij van bladeren, gras en twijgjes, sleepte wat takken aan en ontstak een klein vuur.
‘Een vuur?’ vroeg Karagil.
‘Het is donker,’ zei Lycius. ‘Het bladerdak van de bomen schermt de vlammen af en de rook is niet te zien in het donker. We moeten er alleen voor zorgen dat het vuur tegen het ochtendgloren is gedoofd.’
Hij wierp zich op als eerste wacht. De anderen vielen weldra uitgeput in slaap.

« Last Edit: February 11, 2010, 10:57:37 AM by Maryson »
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

Mara

  • *
  • Posts: 296
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #56 on: February 11, 2010, 03:50:38 PM »
KWIJL KWIJL....................................
Oma van Maria Freyalise 19-11-2005

Du-Djutz

  • *
  • Posts: 315
  • De eerlijke rechter
    • View Profile
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #57 on: February 12, 2010, 08:30:11 AM »
inderdaad een spannend stuk...
** the honest judge **

Maryson

  • Global Moderator
  • *****
  • Posts: 460
    • View Profile
    • http://meestermagier.com
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #58 on: February 12, 2010, 02:49:56 PM »
Direct hierna wordt het pas echt spannend.  8)
www.chaptersliterair.nl
www.fantastyval.nl

Nooit was ik dichter bij de klop op de deur van de hemel dan langs het pad van de taal.

deGVR

  • *
  • Posts: 223
    • View Profile
    • http://www.chrishantzen.nl
Re: Voor de lange wachters...
« Reply #59 on: February 18, 2010, 10:19:55 AM »
Dat leest lekker weg, Wimmus.
Bericht uit Bloemrijk is nu beschikbaar bij uitgeverij Parelz.
Schrijvers met verbeeldingskracht kom naar het Woordenwoud.

 

famous
famous