Zes paarden galoppeerden in een ordeloze rij over de vlakte benoorden de bergen van Stor. Windvang, werd de uitgestrektheid van deze onvruchtbare, boomloze vlakte achter het plateau van Voer genoemd. Geen dorp, geen gehucht, geen nederzetting te bekennen. Nergens de geruststellende streep van een rookpluim die in de windstilte omhoog kroop. Dit was onbewoond land. Ver in het zuiden lag een rafelige rand op de horizon: de Windbergen. De groep trok echter westwaarts, richting de Woudlanden boven Lakerval. Zes paarden, die zeven mensen droegen. Het waren Lycius, de huurling, de speelman Upal Rahland, Jerinda, de gidsvrouw uit Storval, die achterop zat bij Winter, de mysterieuze vogelvrouw uit de bergen en achteraan de rij de Storse garden Stark, Karagil en Gred. Ze waren op weg naar Warlo. Alleen Winter scheen meer van hun doel of taak daar te weten, maar de vrouw was weinig spraakzaam daarover.
Lycius mende zijn rijdier naast dat van Winter en Jerinda.
‘De dieren worden moe,’ riep hij boven het hoefgetrappel uit. ‘Laten we pauzeren.’
Winter bracht haar paard tot een stapvoetse gang en wees voor hen uit.
‘Niet ver van hier zijn wat kleine bossen, de voorlopers van de Wouden. Laten we tot daar doorrijden.’
Ze speurde de horizon af.
‘Het is beter als we ongezien blijven.’
Lycius volgde haar blik.
‘Zijn hier vijanden in de buurt?’ vroeg hij.
Winter antwoordde niet. Ze keek Lycius even aan met een donkere blik en zette weer aan, maar hield haar rijdier nu in halfgalop.
Lycius' blik ving een beweging in het noorden op. Het was een grote vogel. Was het Klauw, de habecht van Winter? Het dier kwam dichterbij. Wel een habecht, maar niet Klauw, zag Lycius aan de schonkige wiekslag. Nu zag hij dat het dier bruiner was dan Klauw en nog groter leek. Hij wilde Winter erop attenderen, maar zij had het dier al gezien. Ze bracht haar rijdier tot staan. Zette haar vingers aan haar lippen en floot een schrille roller.
Als antwoord slaakte de habecht een hoge, gebarsten kreet en verhoogde het tempo van zijn vleugelslag.
Even later verscheen een tweede stip aan de horizon. Een bekende kreet.
‘Klauw!’ riep Winter achterom, toen ze haar paard tot volle draf aanzette.
Haar habecht liep snel in op de bruine vogel. Toen het dier Klauw in de gaten kreeg, slaakte het opnieuw een kreet, verlegde zijn koers naar het oosten en verdween uit het zicht. Klauw bleef even in de buurt, maar wiekte toen weer weg naar de horizon.
Niet veel later doemden de eerste bosschages op; kleine eilanden in een verder lege zee.
Winter mende haar paard naar de eerste grotere verzameling wilde kanterbomen en struiken.
Toen ze zich onder het bladerdek van de grootste kanterboom hadden verzameld en hun rijdieren hadden vastgebonden aan een laaghangende tak, zei Winter somber: ‘Dat was de vogel van een zoeker. We zijn ontdekt. Vanaf nu zullen we heel voorzichtig moeten zijn.’
‘Een zoeker?’ vroeg Lycius. ‘Een magiezoeker, bedoelde je? Wie is hier de magiër?’
Winter keek hem scherp aan.
‘Twee,’ zei ze en greep Jerinda bij haar schouder. ‘Jerinda is halfmagiër en ik ben een echte, oude magiër.’
Lycius en de anderen keken verrast van Winter naar Jerinda.
Van Winter had hij dit wel verwacht, maar Jerinda. Hij peinsde even.
‘Maar een zoeker kan toch alleen magie ontdekken, niet een magiër die zijn vermogen niet gebruikt.’
Winter boog haar hoofd.
‘Mijn fout,’ zei ze. ‘Ik heb al onze paarden wat extra kracht meegegeven, zodat we sneller vooruit konden komen. Ik dacht…’
‘Het is zoals het is,’ zei Jerinda, nuchter als altijd. ‘Nu moeten we zorgen dat we ons geen achtervolgers op de hals halen. Dat zal moeilijk worden, gezien het spoor dat wij door de leegte trekken.’
‘Als we de groep opsplitsen?’ stelde Upal voor. ‘Ieder een eigen route?’
Winter schudde haar hoofd.
‘Dat is geen optie. Degenen die ons zoeken zijn met velen.’
‘Wie zijn het?’ vroeg Lycius.
Winter zweeg even en staarde voor zich uit. Ze leek een besluit te nemen.
Ik ben een waarder. Neergezet langs de lijnen van tijd en kracht om ervoor te zorgen dat de plannen van Ayl Aetha niet worden doorkruist door kwade machten. Die machten vermoeden dat in dit tijdsgewricht een wezenlijke verandering zal plaatsvinden. Een verandering die zij niet wensen. Elk schepsel dat kan lopen, vliegen of zich op een andere manier kan voortbewegen is te hulp geroepen om die verandering te bestrijden. Ten koste van veel, misschien wel alles, willen zij winnen.’
Lycius begreep dat Winter nog lang niet alles had gezegd, maar voelde ook dat ze al meer had verteld dan ze eigenlijk wilde. Hij knikte. Alsof dat een teken was, scheerde een rauwe kreet door de hemel.
‘Laten we nadenken wat we moeten doen,’ zei Winter. We moeten straks verder, want Jerinda heeft gelijk: het spoor van paardenhoeven naar deze bomen is als een pijl die zegt: hier zitten ze. Ik kan die sporen uitwissen met een spreuk, maar dan vinden ze ons via de zoekers. Magieloze spreuken bestaan niet.’
Er viel een stilte. Ideeën werden geopperd en verworpen. Uiteindelijk nam Upal het woord.
‘Als we er één van ons opuit sturen met de paarden?’ begon hij voorzichtig. ‘In welke richting dan ook, maar niet naar het westen. Na een tijdje gaan wij op pad, misschien ook niet rechtstreeks naar het westen. We proberen zo snel mogelijk één van de wouden te bereiken, of rotsgrond, waar onze sporen niet te volgen zijn.’
‘Dat betekent dat we te voet verder moeten,’ zei Lycius.
‘Dát of ontdekking en dan krijgen we de hele onderwereld op onze nek, begrijp ik,’ zei Karagil.
Ze keken naar Winter.
‘Het is een slecht plan,’ zei ze, ‘maar wel het enige tot nu toe. Al mijn oplossing hebben met magie te maken.’
‘Ik zeg: doen,’ zei Lycius. ‘Ik heb helaas wat ervaringen met wezens van gene zijde. Een confrontatie met dit soort demonen willen we ten koste van zo ongeveer alles voorkomen. Redelijkheid en mededogen zijn onbekende begrippen voor hen. Ze zijn de verpersoonlijking van het kwaad.’
Winter kauwde op haar onderlip.
‘Wie?’ zei ze toen. ‘Wie offert zich op?’
‘Rijdt degene die de paarden meeneemt een wisse dood tegemoet?’ vroeg Stark.
‘Die kans is vrij groot,’ zei Winter.
Stilte.
‘Ik,’ zei Stark toen. ‘Ik neem de paarden mee.’
Upal en Starks kameraad Gred maakten heftige tegenwerpingen, maar Stark bleef bij zijn besluit.
‘Ik vertrek onmiddellijk en dan rijd ik noordoostwaarts. Volgens mij ligt in tegenovergestelde richting, in het zuidwesten, het eerste woud, Klein Donkerwold. Niet de meest ideale plek, want de geesten hebben er vrij spel, maar wel de dichtstbijzijnde plek waar de gevleugelden ons… jullie niet zomaar kunnen volgen. Ik herinner mij dat je via dat woud bijna ongezien in Groot Donkerwold kan komen. Aan de andere kant zit je vlak bij de uitlopers van de pieken van Tath en dus bij Warlo.’
‘Dat klopt,’ beaamde Lycius. ‘Ik ben er ooit geweest en moet de weg nog wel ongeveer kennen.’
Hij wendde zich tot Stark.
‘Neem mijn diepste respect met je mee. Ik zal tot de Maker bidden dat je gespaard zult worden. Jouw heldendaad dwingt ons, onze missie te volbrengen, zodat je offer niet vergeefs zal zijn.’
Ze omhelsden Stark één voor één. Ze gaven hem extra proviand mee en bonden de paarden aan elkaar. Stark sprong lenig op de voorste hengst, stak zijn hand op en plantte zijn hakken in de lendenen van het dier. Ze staarden hem na, tot hij niet meer dan een stip aan de horizon was.
Winter slaakte opeens een reeks scherpe kreten, gevolgd door hoog gefluit.
‘Klauw,’ verklaarde ze. ‘Ik vraag Klauw of hij Stark in de gaten wil houden.’
Toen de zon zijn hoogste punt voorbij was, kondigde het geruis van vlerken de komst van een wezen aan. Iets zwaars landde dreunend vlak bij de bosschages. Een diep, raspend keelgeluid werd gevolgd door gesnuif. De zes verscholen zich in de struiken. Wat het ook was, het schepsel snoof aan het spoor van Stark. Een diep, gorgelend keelgeluid klonk op. Voetstappen dreunden; het monster kwam op hen af! Gelukkig hadden ze hun sporen deels uitgewist, zodat het leek alsof ze, evenals Stark, weer waren opgestegen. Ze bukten, zodat ze niet te zien waren. Winter had hen gewaarschuwd dat het sterkste zintuig van demonen hun geurzin was. “Ze kunnen angst ruiken”, had ze gezegd.
Lycius had zich afgevraagd hoe je zuur angstzweet kon verdoezelen. Dat leek hem onmogelijk. Hij probeerde aan andere dingen te denken, terwijl de grond beefde en een geschubde poot met een gespleten hoef op nog geen vijf meter afstand in het rulle zand landde. Een bijtende stank wolkte samen met stof op hem af. Hij hield zijn hand voor zijn neus, om te voorkomen dat hij zou niezen. Toen draaide het schepsel zich om, snoof in een andere richting en dreunde weg. Na wat een eeuwigheid leek, slaakte het een kreet die rillingen over Lycius' rug deed lopen. Ze hoorden wiekslagen die zich snel van hun schuilplaats verwijderden.
‘Gelukt,’ verzuchtte Karagil, toen ze uit de struiken tevoorschijn kwamen.
‘Misschien,’ zei Winter. ‘Toch wacht ik liever een tijdje voordat we verder trekken.’
De middag gleed voorbij. In de verte hoorden ze enkele keren kreten, maar er vertoonde zich niets meer in hun buurt.
‘Als we nu vertrekken,’ zei Lycius, ‘denk ik dat we het woud bereiken als de avond valt.’
Winter knikte.
‘We gaan.’
‘Een standbeeld voor Stark,’ verzuchtte Upal, toen ze in ganzenpas de dekking van de bomen verlieten. ‘Ik zal in ieder geval een lied maken, waarin zijn heldendaad wordt bezongen.’
Instemmend gemompel.
Lycius kreeg gelijk. Toen de zon de horizon aanraakte, doemde een woudrand op. De schemering viel snel in. Ze bereikten het woud en konden maar net aan onderscheiden waar ze waren. Ze lieten zich door de eerste bomenrand opslokken, hielden halt op de eerste de beste open plek en zochten een behoorlijke slaapplaats. Lycius maakte een stuk bosgrond vrij van bladeren, gras en twijgjes, sleepte wat takken aan en ontstak een klein vuur.
‘Een vuur?’ vroeg Karagil.
‘Het is donker,’ zei Lycius. ‘Het bladerdak van de bomen schermt de vlammen af en de rook is niet te zien in het donker. We moeten er alleen voor zorgen dat het vuur tegen het ochtendgloren is gedoofd.’
Hij wierp zich op als eerste wacht. De anderen vielen weldra uitgeput in slaap.