Mijn muze.
Ach, wat is ze lang weggeweest.
Soms meende ik haar contour te herkennen, hurkend op de rand van de horizon, aangelicht door de opkomende ochtendzon, maar een rechtstreekse blik logenstrafte telkens weer dat vermoeden.
Ze is er weer, ook al laat ze zichzelf niet zien.
Ik voel haar, ik ruik de eeuwig frisse geur van haar aanwezigheid. Ze verbergt zich in de sferen en dat is goed. Als ze er maar is. Ze reikt me woorden zo helder als glasparels aan en ik mag ze aaneenrijgen tot een verhalensnoer.
Op de grens van nacht en ochtend vind ik zomaar een protagoniste zonder naam en met haar verschijning doemt een vertelling op die andere verhalen, gedrukte verhalen en al geschreven verhalen, naadloos aaneensmeedt. Dankzij de door het lot getekende Ewart ken ik haar eerste naam, de naam die ze moet inwisselen voor die ene andere, of ze wil of niet.
Ik kan haar aanraken... Bijna.
Net als mijn muze. Is ze soms mijn muze? Is het een musische biografie, die ze me aanreikt? Ik weet het niet. Nog niet. Misschien vertelt ze het nog, want ik ken wel de oorsprong en de richting van het verhaal, maar het einde hangt nog in de sferen en alleen ik mag het er te zijner tijd uit plukken.