Zoals de nacht zijn privileges heeft (zie voorgaande onlog), heeft de dag zijn waan.
Wil ik bewijzen dat de nacht, met zijn focus naar binnen, realistischer is dan de dag?
Wellicht. Ik ben er zelf nog niet uit, zoals ik er nog niet precies uit ben wat de zin van het leven is. Wel begeef ik me soms in omgevingen, sluit ik me aan bij door mensen geïnitieerde samenkomsten, waar ik de sfeer en de richting vaak genoeg irreëler vind dan die in mijn schrijfkamer bij nacht.
De dag heeft zijn waan, mogelijk in gang gezet door het licht van de zon. Die waan bezie ik en ik verbaas me. Mensen die bijeenkomen op een strook zand aan de rand van de zee en daar UV-stralen gaan liggen ontvangen. Hebben ze een hang naar huidkanker? Vinden ze het fijn om in zweet en vette zonblok 28 te baden en rond etenstijd half doorbakken weer huiswaarts te sjokken?
Ik beleefde weer enkele indoordagen te Frankfurt, waar het boekenvolk de tweede oktoberweek heentrok. Gekrioel binnen de betonnen kaders van de Buchmesse. Tienduizenden mensen op weg van onbelangrijk naar nauwelijks van belang en terug. Door een doodgewoon iemand gerangschikte woorden worden opeens tot gewilde koopwaar verheven en buitenlandse rechten en voorschotten flitsen van de ene stand naar de andere. Karrenvrachten gewichtig kijkende mensen bestormen trap en roltrap op weg naar de volgende afspraak in Hal 3, die een kwartier van Hal 8 afligt. Ik meng me moeiteloos tussen het babylonische gekrakeel, observeer en probeer mezelf voor te houden dat dit norm is, dat dit reëler is dan mijn nachtelijke, solistische schrijfuren.
En dan draaf ik weer terug naar Zeeland over der Autobahn. Audi's, Mercedessen, Porsches en andere doodsbolides zijn op zoek naar de geluidsbarriére en vinden mijn norm van 130, 140 per uur klaarblijkelijk hinderlijk. De dood ligt overal op de loer en ik probeer niet mee te spelen.
Als ik van de autoweg afstuur richting Goes en Kats, valt de avond.
De waan van de dag of het privilege van de nacht?
Mijn keus is gemaakt.