Al maanden danst en buitelt het door mijn hersenpan. Wat? Welnu, dat is niet in enkele woorden te vangen, dus besloot ik zojuist tot een Manifest. Het klinkt mooi serieus, maar toch ook blijmoedig en wellicht komt er nog humor om de hoek kijken ook.
Eigenlijk triggerde thrillerschrijver Tomas Ross dit Manifest. Voor zijn parochie, de literatuur in het “spanningsgenre”, preekte hij, en tot afgrijzen van een deel van zijn mede-spanningschrijvers pleitte hij voor het om zeep helpen van zijn eigen kinderen: de Gouden Strop, de Schaduwprijs en zelfs de poten van het door hem opgerichte Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs werden door hem kundig bezaagd. Dit vanwege zijn al eerder getrokken conclusie dat literatuur literatuur is, of er nu misdaad of (mijn draai eraan) fantastische voorstaat, of er achter literaire nu “meesterwerkjes” of “thriller” of (mijn draai) “fantasy” staat.
De soms op hoge toon gevoerde discussies op ezzulia.nl drongen zelfs door tot in de literaire bastions van NRC en VN. Ross werd meerdere malen afgeschoten, onder andere door een reeks collegae. Vooral zijn minachting voor de “nieuwe vrouwen” (Saskia Noort, Esther Verhoef e.a.), die hij kwalificeerde als (mijn vertaling) opgepepte chicklit, moest het ontgelden. De vrouwen zwegen aanvankelijk, maar mengden zich allengs toch ook in de discussie.
Ross blijkt verzamelaar van uit welgekozen woorden gesmede kogelvrije vesten te zijn, want zo afgeschoten was hij niet. Zijn weerwoorden waren geheid en wekten bij velen nog meer ergernis.
De bodemlijn die ik zocht en zoek voor mijn gedachten, die uiteindelijk hier en nu uitmonden in dit Manifest, werden mij verrassend genoeg aangereikt door enkele zeer literaire lieden. Mensen als de schrijvers Marcel Möhring en Tim Krabbé, recensenten als Arjan Peters, Arie Storm en ene Fortuin beklauteren al te graag de ivoren toren van het onweerlegbare Gelijk, het literatorendom. Alles wat niet neergepend is volgens de maatstaven van dit literatorendom, waarvan voornoemde lieden de zelfbenoemde Raad van Hoeders schijnen te zijn, is tweederangs. Zelfs een matig werk dat door hen wordt bestempeld als “literatuur” (leg uit…), zou beter zijn dan een (in onze ogen?) topwerk uit genres – en dus etiketjes – waarop zij neerzien.
Dat literatorendom matigt het zichzelf aan, een Oordeel te kunnen vellen over werken en daar tweederangs en dus ook, soms, eersterangs aan te hangen. Zij beledigen daarbij achteloos doch diep de genoemde noeste schrijvers van tweederangs werken.
Wie kaatst, mag dus ook verwachten per omgaande beledigd te worden. Het beste is natuurlijk om te zwijgen, want tegen domheid is niets opgewassen. Zoals ik al eerder in een column zei: het is hun eigen sop, laat ze er in gaarkoken.
Maar toch, soms wordt het wel eens te bar. Het dédain waarmee Krabbé en anderen het zich aanmatigen om genreliteratuur neer te zetten, deed mijn doorgaans kalme bloed overkoken. Het is niet mijn stijl, maar ze vragen er om.
Hun hooghartigheid en hoogmoed grenzen aan het ongelooflijke. Wie zijn zij dat zij rangen zouden mogen afpalen? Wie zijn zij dat ze goede schrijvers tot in hun hart en ziel zouden mogen raken?
Zij zijn het Literatoren Dom.
Hola, nou schrijf ik het toch even verkeerd.
Welnu: Revolutie!
Aangezien wij dus in “hun” ogen het laagbijdegrondse gepeupel zijn, stel ik voor met spaden en koevoeten naar de van ivoor vervaardigde Bastille van het Grote Literatorendom op te trekken en de fundamenten van het Dédain eerst maar eens uit te graven en bloot te leggen. Dan kunnen we altijd nog besluiten of ze mogen blijven zitten of dat we hun pathetische torentje neerhalen, waarna zij her en der verspreid over het Plein van Alle Schrijvers verspreid zullen liggen.
Vervolgens stellen we vast dat er – in de woorden van schrijver Simon de Waal, slechts twee soorten boeken zijn: goede en slechte. Zelf houd ik het op één soort: Boeken.
Niemand hoort mij zeggen dat Mulisch, A.F.Th., Van Dis en consorten niet kunnen schrijven. Niemand hoort mij echter ook zeggen dat Tomas Ross, Elvin Post of Charles den Tex niet zouden kunnen schrijven. Van Tim Krabbé weet ik het niet. Sorry, Tim, nooit iets van je gelezen. Maar jij vast ook niet van mij… Marcel Möhring vind ik wel aardig, maar iets meer plot zou hem niet misstaan.
Er zijn goede, matige en slechte schrijvers. Die goede schrijvers zetten je aan het denken, voegen iets toe aan je wereldbeeld of raken je. Dat doen ze in kundige, welgekozen bewoordingen of door een fraaie stroom emoties of doordat ze, aangeraakt door Muzen, Kunst produceren, of hoe dan ook. Hun werk kan ook spannend zijn, en ja (veiligheidsgordels vast!): het kan zelfs een plót bezitten. Heus. Hoewel: plotten en het doen en laten van personages door die plot heen laten groeien, vereist vaak wat meer dan plotloos schrijven, dat kan niet iedere ontplotte literaire schrijver. Om nog maar te zwijgen van de fantastische “literatuur”. Die plotten, karakteriseren én boetseren een geloofwaardige “andere” wereld als extra dimensie, als levend decor waartegen zich alle karakterontwikkelingen en verhaallijnen afspelen.
Nee, mij zul je A.F.Th. of zelfs Palmen niet zien neersabelen. Voor A.F.Th. heb ik respect, ook al kom ik wat moeilijk door zijn werken heen, maar dat zal smaak dan wel onvermogen zijn. En van Palmen heb ik alleen wat eerste bladzijden gelezen. Ik kan en wil er niet over oordelen op de manier van Krabbé en Storm, met hun afzichtelijke dédain, maar ik vraag, nee (de tijd is daar rijp voor) EIS dat zij dat ook niet over mij, mijn werk en dat van mijn vele collegae doen. Mij hoor je per se ook niet zeggen dat IK verheven werken zou afscheiden.
Als je het woord wilt blijven gebruiken: er is literatuur. Goede en slechte, door alle “genres” heen.
Amusement is het, kweelde pas één literair beest tegen me, aangaande enkele door mij zeer gewaardeerde genreschrijvers. Maar ach, Jaap, zei ik tegen hem, dacht je dat William Shakespeare het benul had dat hij met literaire hoogstanden bezig was? Het woord literair bestónd nog niet eens. Amusement was het, en hij schreef de ribben uit zijn lijf om in leven te blijven. Brood op zijn plank.
Wie als zelfverklaard “literair” (met de bijbehorende, door hem- of haarzelf bedoelde connotatie) schrijver zichtbaar, voelbaar en hoorbaar neerziet op ander of andersoortig werk, maakt zichzelf belachelijk en ja: sabelt zichzelf neer.
Geacht Literatorendom: U ziet neer op vorm zonder de inhoud te kennen en dan nog: waar haalt u het recht vandaan om rangen te bepalen?
Leen ons dat woord Dédain maar een tijdje.
En voor Tomas, de aanjager…
Tomas, laten we een nieuwe Prijs in het leven roepen. Voor het Beste Boek. Misschien wil het literatorendom de Gouden Strop voor een aanvaardbare transferprijs overnemen.
Wat ze ermee doen, met die Strop? Ach, dat mogen ze zelf beslissen.
Naschrift:
Na deze gemanifesteerde tirade trek ik mij schielijk terug in mijn eigen Zeeuwse Bastille en wijd mij vol overgave aan mijn eigen literatuur. Schrijvers schrijven voor zichzelf en delen dit daarna met hun publiek. De mate van culturele bagage, dan wel de intelligentie van schrijver zowel als lezer, laveert door alle rangen en standen en door alle geëtiketteerde genres heen. Het is allemaal literatuur óf allemaal lectuur, één van de twee.
Ik ga weer voor mezelf schrijven, opdat mijn lezers naar ik vurig hoop, weer kunnen genieten en wellicht geraakt worden. Misschien voegt wat ik schrijf iets toe aan hun wereldbeeld en heel misschien schrijf ik wel zo aardig, dat zij een tijdje geamuseerd worden door mij, nazaat van William Shakespeare…