Het is niet altijd rozengeur en zelfs de maneschijn blijft wel eens buiten beeld.
De afgelopen maanden ging het niet zo goed. Langdurige en hardnekkige grieperij, teveel drukte die niets met schrijven te maken had en nog wat privé-perikelen. Al met al bleef ik mezelf schrijver noemen, maar dat was maar net aan waar. Zelfs het winnen van de Paul Harland Prijs bracht me niet terug op het spoor waar de dwarsliggers uit letters zijn opgebouwd.
Het liet een leeg gevoel achter, al die bijna schrijfloze maanden.
Nou kun je proberen zoiets te forceren, maar dat werkt dus niet.
Wachten, afleiding zoeken, met andere dingen bezig zijn, dát is het beste.
Eind december begon ik me langzaamaan zorgen te maken.
Nu, 11 januari 2008, zijn die zorgen weg. Ik ben er weer! Ik schrijf. Veel. Ik weet alles nog van de grote verhalen waaraan ik bezig ben. Ik kon zó weer verder. Het voelde aan alsof ik mijn beste vriend na jaren weerzag. Je gaat gewoon verder waar je jaren geleden gebleven was.
Was het ergens goed voor, die radiostilte, die lacune, die afwezigheid van mijn muze?
Ik denk het wel.
Alles wat ik nu schrijf voelt opeens natuurlijker aan, alsof ik diep heb ingeademd alvorens aan een reeks krachttoeren te beginnen. Als dit zo blijft dan beloof ik mezelf én de mensen die op mijn pennenvruchten wachten veel moois.