En weer droomde ik.
Zeeën van tijd omspoelden de eilandboorden van Creatië en Schepland. Niet zomaar tijd, nee: schrijftijd. Het jaar was speciaal voor mij opgerekt tot 729 dagen van 34 uur en deadlines waren van uniek, uiterst rekbaar rubber. In het Woordenwater dobberden wonderschone, transparante weekwoorden en schelpzinnen voorbij. Glibberige strofen spoelden samen met boekenplankton en letterwier aan op de kust van Muzië, het land uit de sferen dat grenst aan het befaamde Bloemrijk.
Met een tumultueus speedbootje doorkliefde een uitgever met commerciële koers het vredige tafereel, mij in elf verschillende talen aanroepend met literaire kreten en vijfcijferige voorschotten, helaas zonder te reppen van de komma.
Hoog in de lucht cirkelden enkele aasgierige recensenten, belust op zieltogende, slordig gecomponeerde werkjes. Ik gaf ze geen kans, de afgelopen twee jaar. Geen onaf werk bij mij te bekennen, hooguit een koppeltje niet gestarte boekprojecten. Over een bochtig pad kwamen boeken aanmarcheren, standalones, die hun strijdblurbs tegen elkaar in bralden, in manhaftige pogingen zichzelf aan de man te brengen, maar ook kloeke reeksen, die keurig in een rijtje voorbij beenden. Chris Paolini signeerde op verzoek van een clownsvis diens linkervin en Patrick Rothfuss zocht vergeefs naar de laatste bladzijden van zijn tweede boek. Een verdwaalde hobbit vroeg de weg naar Bijwater aan een Tekstentrol en in mijn ooghoek meende ik een elf te zien wegglippen.
Aan de rand van de horizon zag ik nog net Ray Feist, innig gearmd met Robin Hobb weglopen en Peter Schaap joeg met een vlindernetje naar buitenissige woorden voor zijn nieuwe roman Windbuiger. Een peuter dribbelde brabbelend op mij af, niet gehinderd door zijn dikke luier. Het was Thomasje Olde Heuveltje, met direct achter zich aan Meester Prikkebeen, die verdacht veel op Tais Teng leek. Verdiept in een bankboek schuifelde Guido Eekhaut voorbij en tot mijn verbazing zag ik mijzelf in gedachten verzonken van het pad af hinkelen, een duister bos in, waaruit enkele tellen later allerlei vijf- tot negenbenige rijdieren tevoorschijn daverden.
Zeeën van ruimte omspoelen de eilandboorden van Creatië en Schepland. Ruimte voor iedereen. Lezersvolk en schrijfgepeupel. Schrijf- en leesruimte. Als ik niet in Bloemrijk bivakkeer, kan men mij op één van beide eilandjes vinden. Ik mijmer over een krachtig en machtig Literaturica, met al die zinderende landen als Bloemrijk, Schrapponië, Plotland, Personagië en het mythische Fantasië.
Schone tijden breken aan en de fantastiek bruist op het metrum van door woeste winden opgezweepte golfslag, die stukslaat op de klippen van Wonderije en Mirakulië.