De volgende ochtend, donderdag 28 oktober. De officiële start van de World Fantasy Convention werpt zijn schaduwen vooruit. Na het ontbijt met Jürgen en een vergeefse poging tot inschrijven (organisatie nog niet klaar) vond ik het tijd om het megahotel te verkennen.
Het woord “gezellig” schijnt onvertaalbaar te zijn in vele talen; dat geldt ook voor Amerikaanse beeldtaal. Mijn eerste blik op de bar diskwalificeert de inrichting als mega, koel (niet cool) en volslagen sfeerloos. Gelukkig maken mensen zélf vaak de sfeer. Dat komt allemaal nog wat moeizaam op gang. Koffie is dan mijn toverwoord. Dat is hier meestal Starbucks. Het is redelijke koffie, maar háált het niet bij mijn zelfgemalen en middels ouderwets filter gedoseerd opgeschonken koffie.
Op dat moment, als de dag net open begint te schuiven, komt de derde Nederlander in Columbus, Interzone-redacteur Jetse de Vries, op ons af stuiteren met een enthousiasme dat meer bij de namiddag en avond hoort. Hij gaat een biertour doen met enkele al even enthousiaste Amerikaanse en Engelse bierkenners. De route kent veel pleisterplaatsen. Of we mee gaan. Ik niet, Jürgen wel. Ik kijk mijn uitgever met lichte verbazing aan. Hij haalt de schouders op. Dat gaat Jürgen niet afmaken, denk ik. Voor hij vertrekt, registreren we nog gauw. Ik ken het van een eerdere WFC, in Tempe, Arizona: ik krijg een volle tas boeken in handen gedrukt. Goed voor bagage-overgewicht bij de terugreis. Ik check de titels en namen van de auteurs en spring nog niet juichend op. Brandon Sanderson en Holly Black vind ik misschien wel interessant.
Jürgen verlaat het strijdtoneel en ik schuifel alleen door immense gangen, enorme zalen en van smaak en kraak gespeende eethoeken. Bij één van die eet-uithoeken kom ik Gordon van Gelder tegen. Nederlandse naam, maar uiterst Amerikaans. Hartelijk weerzien. Gordon is de uitgever van The Magazine of Fantasy & Science Fiction, één van de toonaangevende bladen in het genre. Aardige vent. Hij geeft me wat meer inzicht in de huidige markt. Hij is de laatste jaren zo ongeveer gelijk gebleven in aantallen en inkomsten en dat betekent in zijn woorden dat hij het veel beter heeft dan de meeste andere bladen. De crisis hakt er in Amerika flink in. Verkopen lopen scherp terug, sommige bladen zijn gestopt.
De markt wordt momenteel overspoeld door vampires en vooral zombies. Zelfs bekende schrijvers wagen zich aan de hype. Wat vindt Gordon daarvan? Hij houdt zich op de vlakte, merk ik. Tussen zijn woorden door meen ik echter te bespeuren dat het hem aan het hart gaat dat de goede fantasy en science fiction lijden onder deze plotselinge stormvloed.
“Film- en tv-series bepalen de markt”, stelt hij vast. “Ik heb er selectief op ingespeeld met enkele anthologieën en heb zo mijn marktaandeel weten te bewaren”.
Da’s duidelijk. “Het is zoals het is”, zegt hij nog, voor anderen zijn aandacht vragen. “Morgen domineren andere hypes de markt”. Maar hij is ervan overtuigd dat de kern van science fiction en fantasy blijvender is.
Ik haak nog even aan bij het gesprek dat Gordon met Ellen Datlow, editor van Sci-Fiction en met de fantasyschrijver Richard Bowes heeft. Er schiet teveel voor mij onbekend Amerikaans spul heen en weer en ik haak af.
Richard Bowes komt achter me aan. He likes to buy me a Blue Moon, een bier dat fruitig genoeg is om op witbier te lijken. Met een schuin oog check ik de klok. Het is na tweeën. Vooruit maar. We raken in gesprek over het verschil tussen Amerikaanse en Europese verhalen in ons genre. We verbazen ons een beetje over het duidelijke verschil, als we de verhalen die we allebei kennen naast elkaar leggen. Ik vind dat Amerika meer in beweging is, maar dat dat ook niet verwonderlijk is, omdat er veel meer bladen, conventies, workshops e.d. zijn die de verbeeldingsliteratuur stem en richting geven, die schrijver en lezer op een doorgaans goed niveau up to date houden. Europa is vooralsnog door de taalbarrières te versnipperd. “Daar doe ik iets aan”, meld ik dapper en denk aan de al bijna een jaar sluimerende plannen van mij en Deense SF-schrijver Henrik Loeyche om de Europese schrijvers van verbeeldingsliteratuur bijeen te brengen en aan de slag te gaan met een vertalerspool.
Richard is genomineerd voor de World Fantasy Award met een novella, vertelt hij. Volgens hem absoluut niet zijn beste verhaal. Dat gevoel had ik bij mijn Paul Harland Prijs 2007 ook. We stellen vast dat wij zelf misschien niet de beste beoordelers van ons eigen werk zijn. Vervolgens duiken we in allerlei facetten van het schrijfambacht, tot iemand anders vrij bot in ons gesprek inbreekt en Richard wegkaapt.
Mijn helaas niet aanwezige vriend Terry Bisson had mij op het hart gedrukt, kennis te maken met Paul Park, ook al genomineerd. Ik schoot een rijzige man aan om hem te vragen of hij Paul Park kende. “Yes”, antwoordde hij, en toonde breed lachend zijn badge. Paul Park, las ik.
Het begin van een gesprek werd onderbroken door Elizabeth Bear, die Paul begroette en ik belandde voor een beginnende schrijver, wiens naam zich ergens op één van de vele tientallen visitekaartjes moet bevinden, die ik aan de WFC heb overgehouden. Hij en een meegereisde vriend vroegen zich als debuterend WFC-bezoeker af wat de meerwaarde van zo'n evenement voor hen was. "Netwerken", meld ik. Ik haat dat woord en toch bezondig ik me er ook aan. Wie ik precies ben, vragen ze en omdat ze toch aan het netwerken zijn op advies van mij, wat kan ik voor hen betekenen. Ik meng mij in het ge-netwerk en druk beide heren mijn kaartje in de hand. “Als je een goed verhaal hebt”, meld ik geroutineerd, “stuur het dan maar op”.
Blijkbaar had hij dat nog niet, want ik heb nog niets binnengekregen. Of hij moet het nog afschrijven, maar is te veel bezig met bezoeken van conventies en internetten.